Die avond zakte ik af naar een café in mijn buurt, een plaats waar ik ‘s avonds soms heenga om thee te drinken en een krant in te kijken, een toegeving aan mijn honger naar symboliek. Ik koop en lees kranten zoals ik fruit consumeer, uit een streven naar morele excellentie, maar zelden met veel smaak. Tevreden weeg en prijs ik mijn appelen, peren, bananen, druiven en pruimen, en aan de kassa waan ik me al een nieuw mens, gezond en veerkrachtig, kwiek en temperamentvol. Een man verbonden met de natuur. Iemand die weet dat de zin van het leven een zaak van het lichaam is. Zelfzorg. Een filosoof die zijn Grieken kent. Thuisgekomen blijf ik enthousiast: van het opgestapelde pakketje zelfzorg in mijn houten bowl gaan onvoorziene esthetische vibraties uit. Waarheid en schoonheid. Kracht in de eenvoud. Ik zit aan mijn bureau met een kop stijfstaande koffie en denk met een serene glimlach aan het alchemische geheim dat beneden in mijn bowl aan het rijpen is en dat mij gezond zal houden.
Van kranten proef ik de kopjes. Hier en daar zuig ik misschien nog een ondertiteltje op. Maar een gans artikel is onverteerbaar voor mij. Al die namen, allianties, fracties, ruzies, meningen. De kopjes. Hier en daar nog een ondertitel. Áls ik het onhandelbare ding al opengevouwen krijg natuurlijk. Met minder dan twee vrije cafétafeltjes om me heen begin ik er niet aan. Vroeger als kind speelde ik soms voor volwassene door de krant helemaal open te spreiden op de grond en er dan steunend op mijn ellebogen bovenop te gaan liggen. Met gemaakte gewichtigheid schoof ik mijn vingertje langsheen de eindeloze kolommen helemaal grijs. Grijs betekende volwassen voor mij. Als niemand keek likte ik dan aan mijn vinger en proefde van de volwassenheid.
Nog altijd koop ik mij met een krant een toegangsticket voor de wereld der volwassenen. Ik glunder als ik met het onding onder mijn oksels door de straten loop. Een man die mee is, erbij hoort. Verantwoordelijkheid. Kent van alles wat. Ik rol het op en drum ermee op een vuilbak. Aangekomen op café laat ik het fier op mijn tafeltje landen, terwijl ik met strakke wijsvinger de bediening wenk: een thee voor meneer graag. Even later blaas ik glimlachend in mijn drankje. De kopjes. Hier en daar een ondertiteltje. En de rest, denk ik, is voor thuis, als ik de krant helemaal mag open spreiden op de grond.
Ik zette me aan de toog en bestelde whisky. Het laatste waar ik nu naar hunkerde was een krant. De schijnwereld van de actualiteit was ver weg en wekte in mij nog slechts de belangstelling van een eenzame en vermoeide treinreiziger die naar het voorbijglijdende landschap kijkt, een plaatje, lelijk en soms mooi, maar vooral iets dat op afstand blijft en waaraan je niet kan deelnemen. Ook niet wil deelnemen. Voor mij was er nog maar één werkelijkheid en die fonkelde bronzig in mijn glas. Zelfs mijn verdriet hield mijn hart nu losser omklemd en leek niet meer ín mij te huizen, maar ergens vrij om mij heen te zweven, een knipogende tooghanger die zijn glas naar mij hief en die ik vergeefs probeerde te negeren.


