Nieuw project ism Het Zoekend Hert (en Dimitri Goossens en Tinneke Beeckman)

lezing zoeken hert

Afbeelding | Posted on door | Een reactie plaatsen

Fragment uit ‘(Het witte boek)’

Op mijn eerste avond in Berlijn rookte ik voor het eerst in mijn leven een sigaret. Trage halen die me aan het duizelen brachten. Me zowel zwaarder als lichter maakten. Ik was een man in een miljoenenstad. Eén gloeiend stipje onder een hemel die laag boven de daken hing en toch niet beklemde. Een hemel die geen betrokken partij was maar wel begaan was met het lot van de stad. Onthield wat hier allemaal gebeurd was. Collectief geheugen vormde voor iedereen die hier kwam en ging.

Ik zat op een oude tuinstoel. Vanop mijn overdekte balkon, vijf hoog, had ik een goed zicht op de verlichte huizenblokken om mij heen, een bakstenen enclave rond een pleintje met een kleine kinderspeeltuin. Een gezapige, burgerlijke buurt. Gentrificatie, maar niet op een storende manier. Op mijn wandeling eerder die dag was ik een tiental crèches gepasseerd. In een van de crèches, door het raam, had ik vijf jonge moeders zien opgaan in het inkleuren van een smurfentekening. Samenzweerderig gaven ze elkaar stiften en potloden door, terwijl achter hen drie andere moeders elkaar probeerden te raken met een Mickey Mouseballon. De kinderen zaten bijeen in een hoek en keken zwijgzaam toe. Niet beteuterd. Eerder begripvol.

De sigaret had klaargelegen in het midden van mijn bureau, met ernaast een aansteker. Rook mij. Toen ik de sigaret na een luttele aarzeling opstak, leek het alsof ik nooit anders had gedaan: met de eerste rook blies ik meteen dezelfde betekenissen uit als alle andere rokers op aarde, beginner of verstokte kettingroker.

Mensenroedel, wolvenwoede. Onherbergzame planeet. Hoop doet leven, maar vooral veel pijn. In the end we’re all alone. Ik weet dat en probeer dat te aanvaarden. Ja, ik probeer het zo hard te aanvaarden dat ik doe alsof ik op het leven neerkijk door reeds mijn wissel op de dood te trekken. Beschadigd raak ik toch. Maar ik ben onafhankelijk en roep die schade liever over mezelf af dan braaf te wachten tot anderen dat voor mij doen — mijn geliefde, mijn arts. 

Roken brengt uw gezondheid ernstige schade toe — een briljantere reclamecampagne had de tabakslobby zich niet kunnen dromen.

De roker die kortstondig zijn eigen dampkring creëert. Even geen vreemde lucht meer inademt, enkel de dodelijke stoffen waarvoor hij zelf koos. Eigen grond om op te staan. Autonomie. Karakter. Persoonlijkheid. 

De sigaret als torch of freedom — slogan waarmee de Amerikaanse tabaksindustrie er in 1929 dankzij de neef van Sigmund Freud, Edward Bernays, in slaagde voortaan ook vrouwen op de knieën te krijgen voor dit fallussymbool bij uitstek. Neem je vrijheid in eigen handen en kies zelf waardoor je je laat ketenen — de idealen van de Verlichting die definitief overgaan in reclame. Neonverlichting worden. 

Aan de overkant achter de daken waaide een zwart zeil op, donkerder dan de nacht, terwijl in de verte een vliegtuig zich opmaakte voor de landing. Een van de twee luchthavens ligt dus dáár, wist de geograaf in mijn hoofd me te vertellen. Alleen miste hij verdere referentiepunten om te weten waar dat was, dáár, en hij raadde me aan de volgende dag een stadsplannetje te kopen. Veel zou me duidelijk worden.

Het zwarte zeil likte opnieuw aan de hemel en ik dacht aan mijn reis van de voorbije nacht. De Eurolinesbus. Materiële noodzaak voor de zwarte. Spirituele zelfkastijding voor de blanke. Het type dat met fonkelende ogen laat weten dat er het komende jaar niet zal worden geskied en iedere week devoot naar de Aldi fietst. Naast mij in de bus had een Parisienne gezeten. Een bedevaardster uitgerust met ipod en kauwgum. Waarom ze naar Berlijn ging? ‘Levim,’ antwoordde ze kort, terwijl ze haar ogen eerbiedig liet zakken en op haar ipod een volgend nummertje selecteerde. Levim, l’ evim, lev im. Ik knikte, maar pas nu drong tot me door wat ze bedoeld moest hebben. Ze studeerde film, had ze me verteld, en kwam naar de stad om het oeuvre van regisseur Wim Wenders te bestuderen. Wim Wenders — in bepaalde Franse kringen beter bekend als ‘le Vim.’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Mijn deelname aan de 55-woorden wedstrijd van Radio 1 (schrijf een verhaal dat uit max 55 woorden bestaat)

524SLECHT NIEUWS

Uitgeput zakt ze neer op het terrasje van het ziekenhuis. Het oude koppel naast haar wijst glunderend op haar dikke buik, vraagt voor wanneer het is en weidt fier uit over het zopas geboren kleinkind. Glimlachend hoort ze het aan. Tot ze mij ziet, haar man, en haar glimlach overgaat in tranen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

1ste Act van toneelstuk ‘Expeditie Antarctica’

I.

amundsen

(Schemerig licht. Twee personen vooraan op scene. Dikke skipakken, vooraan wit, achteraan zwart, zwart-witte skibrillen, zwarte mutsen — suggestie van pinguïn.)

Stem (veel ruis en gekraak):
Expedition Antarctica.
SOS.
Repeat: SOS.
Two men lost.
Repeat: two men lost.
SOS.

Stem (reclame. Intussen vage pinguïngeluiden in de verte.): Antarctica! Continent van bergen, ijs, gletsjers, ondergrondse meren, sneeuw en wind. Twee teams die elkaar bekampen aan de witte rand van de planeet. Onmenselijke omstandigheden. Kosmische temperaturen. Twee teams van telkens één man en één vrouw die om ter snelst de geheime Poolbasis moeten bereiken. Titanische stormen. Cyclopische winden. Twee mannen en twee vrouwen in het aanschijn van de dood. Volg hen nu iedere week in Expeditie Antarctica! (Vage pinguïngeluiden houden op.)

Stem (veel ruis en gekraak):
Expedition Antarctica.
Correction.
Repeat: correction.
One woman, one man lost.
SOS.
Repeat: SOS.

(Hel wit licht.)

M (man): Hoorde je dat?
V (vrouw): Wat?
M: (stilte) Dat.
V: Nee. Niets gehoord. Wat hoorde je dan?
M: Jawel. Luister.
V: Ik hoor niets.
M: Alsof we in een studio zitten.
V: In een studio is het volledig stil.
M: Precies. Maar het is geen natuurlijke stilte. Eerder een stilte die je voelt trillen in de lucht… Sssttt! (M en V turen om zich heen, waarbij ze af en toe aandachtig in de richting van het publiek kijken, alsof ze vermoeden dat er daar ergens toeschouwers zitten.) Camera’s zoemen of ratelen niet. Maar je voelt wel hoe ze de ruimte een andere dimensie geven. Hoe ze de lucht als een tweede huid om je heen plooien — een zwaar astronautenpak waarin je stuntelig en onbeholpen voortbeweegt en waardoor je nog slechts in vaag contact staat met de planeet aarde. Je stem en bewegingen vreemd en zelfs een tikkeltje vertraagd… Alsof je jezelf ziet en hoort op tientallen televisieschermen in een controlekamer duizenden kilometers verder. Een man met een worstdikke middelvinger schuift een knop open op een gigantisch paneel. En plots begint er om je heen licht aan te zwellen, een helle, witte gloed. Een nieuwe dag. De zon die opkomt.
V: Ze vinden ons nooit. We gaan eraan. Live with it.
M: Maar stel dat ze ons al hebben gevonden. En dat dit precies is wat ze willen: een man en een vrouw vermist op Antarctica. Hoe redden ze zich?
V: Áls ze zich al redden.
M: Live. Iedere dag maar enkele minuten schemering. Dat is dag en nacht beeldmateriaal. Begrijp je wat voor mogelijkheden dat biedt?
V: Yeah, right.
M: Beeld je in: miljoenen kijkers die op ieder moment van de dag vanuit hun zetel live naar twee vermisten op Antarctica kunnen kijken. Hoe kan er live beeldmateriaal bestaan van mensen die vermist zijn? Nee, er zijn andere vragen die de kijker zich stelt: wie zal wie opeten? En beseft het duo dat zelf al, dat het uiteindelijk daarop zal uitlopen, op een gevecht op leven en dood? Of zal een van de twee zich vrijwillig opofferen, niet langer bestand tegen de stress om in voortdurende angst en waakzaamheid te moeten leven? Of zijn er over al die dingen misschien al afspraken gemaakt op voorhand? Lees verder

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Korte synopsis ‘(Het witte boek)’

foto binnenkant blue album

Anthony Bouwer, een jonge doctor in de filosofie, krijgt te horen dat zijn tweelingbroer Gilles, na zijn beruchte en fel gemediatiseerde hongerstaking (vóór het recht op liefde en tégen het besluit van zijn Afghaanse vriendin een punt achter hun relatie te zetten) en na zijn vlucht uit het verstikkende Vlaanderen (‘waar hij niet meer kan ademen’), dood werd teruggevonden in het Fläming-natuurgebied nabij Berlijn. Detail: Gilles pleegde zelfmoord in dezelfde extravagante space-outfit waarmee veertien jaar eerder negenendertig leden van de Amerikaanse sekte Heaven’s Gate hun tijdelijke verblijfplaats op aarde verruilden voor hun ‘échte thuis in de ruimte’. Gilles laat Anthony een houten doosje na met daarin een menselijke tand en zijn zelfgeschreven ‘filosofische testament’.

Van ene Stephan Klaus — of is het Klaus Stephan? — verneemt Anthony enkele dagen na de begrafenis dat de tand van John Lennon is en dat Gilles hem stal van Stephan Klaus’ baas, de 75-jarige excentrieke Diederich Papadopoulos, een half Griekse, half Duitse magnaat die tot de rijkste mensen van Europa behoort en die zich de woede van zijn moederland op de hals heeft gehaald met zijn recente financiële steun aan zijn vaderland. Diederich woont incognito in Berlijn, waar hij vaak ronddoolt in de bizarste vermommingen — over het algemeen twintigste-eeuwse iconen. Als hij op een van zijn tochten, verkleed als Lennon, de radeloze Gilles ontmoet, ontfermt hij zich over de vertwijfelde Lennonfan en verschaft hem onderdak in zijn riante woonst annex museum vol hebbedingen en relikwieën van twintigste-eeuwse sterren.

Anthony besluit de starheid van zijn academische job en de niets of niemand ontziende opdringerigheid van de journalisten achter zich te laten en in te gaan op Stephan Klaus’ uitnodiging naar Berlijn te komen om Diederich Papadopoulos de gestolen Lennontand persoonlijk terug te bezorgen.

Het hele verhaal wordt verteld door Anthony vanuit Chicago enkele maanden na het Berlijnse bezoek, met naast zich op de schrijftafel de Lennontand van Diederich Papadopoulos. In Chicago heeft Anthony een éénjarig universiteitsmandaat verkregen om te doceren en te schrijven rond The Beatles and Philosophy. Terwijl hij luistert naar het Beatlesoeuvre ziet Anthony zijn hele leven opnieuw passeren en komt er in zijn lichaam eindelijk ruimte en stilte vrij voor zijn eigen verhaal. Dat is het verhaal dat hierboven werd geschetst, aangevuld nog met een fragmentair overzicht van Gilles’ en Anthony’s verleden. Als hun ouders omkomen in een auto-ongeluk (waar enkel de vijfjarige Gilles bij aanwezig was), worden Anthony en Gilles in verschillende pleeggezinnen geplaatst. Uiterlijk blijven ze op elkaar lijken, maar innerlijk zweven ze voortaan als onbereikbare tegenpolen om elkaar heen. Anthony wordt een rustige, beschouwende maar ook licht afstandelijke intellectueel die te lief is om het leven een richting op te leggen. Gilles wordt een getormenteerde, labiele antiheld die het leven zo’n richting veel te graag wil opleggen om daar in te kunnen slagen. Zijn rebelse, antikapitalistische protestacties worden steeds asocialer en theatraler van aard en zijn op het einde enkel nog een tandenknarsende schreeuw om hulp.

Wat is de invloed geweest van de poprevolutie van de jaren zestig op onze cultuur? Wat kan het in deze tijd nog betekenen een individu te zijn? Hoe verhoudt het individu zich tot het eigen lichaam en hoe tot de gemeenschap? En is het nog mogelijk om over ‘een eigen stem’ te beschikken?

Deze thema’s raken in (Het witte boek) steeds meer met elkaar verweven — om op het einde een bloedrood spoor achter te laten.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

‘In Gods hand’ (column)

GodsHands

Retoriek. Naar aanleiding van mijn twee grootmoeders heb ik daar tamelijk veel over nagedacht. Daar ben ik natuurlijk niet alleen in. Johannes bijvoorbeeld begint er zijn evangelie mee: ‘In den beginne was het woord en het woord was bij God.’ Maar was het woord in den beginne bij God, elders in de bijbel kunnen we lezen dat het daar alvast niet erg lang bleef. Benieuwd welke namen Zijn nieuwste creatuur aan ‘alle dieren op het land en alle vogels van de lucht’ zou geven, bedeelde Jahweh ook de mens met de macht der retoriek. ‘Zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten,’ leert het tweede hoofdstuk van Genesis.

Sindsdien torent de mens, als een minigodje, boven de rest van de schepping uit, Babels hoog. Hij heeft een toverstafje in handen waarmee hij de dingen kan aanwijzen en benoemen. Dat daar is een zonnebloem — met of zonder tussen-n? En dat oranje, ronde ding daar wat verder is een sinaasappel — of is het appelsien? Maar wie naar iets wijst, wijst natuurlijk ook indirect naar zichzelf. En vandaar mijn vraag of de mens met het betoveren van de wereld niet ook zichzelf een beetje heeft betoverd.

Een klein voorbeeld. Een alarmerend aantal mensen tegenwoordig verkondigt te pas en te onpas dat er twee soorten van mensen bestaan, personen mét en personen zonder x, waarbij x eender wat kan zijn, van het dragen van witte sokken tot het snakken naar anale seks. Ik zeg maar wat, want dat is net het punt: het draait niet om x, maar om de verkondiger zelf. De verkondiger wéét. De verkondiger verkondigt. Een doorzichtig foefje. En toch stijgt het aantal verkondigers deze dagen zo onrustwekkend snel dat er binnenkort wel eens echt twee soorten van mensen zouden kunnen bestaan, zij die graag stellen dat er twee soorten van mensen bestaan, en zij die dat niet doen. Zij dus die van retoriek houden en zichzelf graag horen spreken, en de anderen. Of dus, zij die van zichzelf houden, en zij die dat niet doen.

Maar kijk, daar heb je meteen al een probleem. Want kan het ook niet omgekeerd zijn? Is het niet mogelijk dat diegenen die graag retoriek aanwenden dat net doen omdat ze die retoriek nodig hebben om van zichzelf te houden? Is het gepolijste woord inderdaad niet vooral bedoeld om de retoricus zelf te overtuigen, daar waar het andere type mens ook zonder blabla zichzelf graag kan zien? Waarmee ik maar wil zeggen: retoriek kan bedrieglijk zijn, met haar duivelse tweedelingen. De wereld is niet wit of zwart, zij is grijs. Wat u ook al wel eens hoorde natuurlijk. Ook ik ontsnap niet aan de macht van de retoriek — al weet ik zelf niet goed of dat het gevolg is van een gezonde dosis zelfliefde of net het gebrek daaraan.

Tweedelingen zijn dus problematisch. Toch valt er soms ook heel wat voor te zeggen. Zoals dus in het geval van mijn grootmoeders. Enerzijds is er mijn theatrale grootmoeder voor wie de wereld één groot podium is, en anderzijds is er mijn stille grootmoeder die je als toeschouwster nauwelijks een keer hoort kuchen — een tegenstelling die het scherpst tot uiting komt in hun verschillende verhouding tot de dood. Voor de ene grootmoeder geldt de dood als een dramatisch hoogtepunt waarvoor de spanningsboog niet vroeg genoeg kan worden ingezet, terwijl voor de andere grootmoeder de dood slechts aanleiding is tot een schaamtevolle blos, alsof de dood alleen maar neemt wat in de eerste plaats nooit gegeven had moeten worden. Aan de ene kant de diva die met een dolk in het hart nog drie aria’s aanheft, met gevoel voor timing door de knieën gaat, de hand naar de borst brengt en dan met een smartelijke blik op oneindig — dat wil zeggen: het publiek — ste-eeeeeeeeee-erft. Aan de andere kant een tribunestoeltje dat voorzichtig wordt dichtgevouwen en twee bleke voeten die als muizen over het tapijt schuifelen, op weg naar de spleet onder de zware achterdeur. En terwijl binnen het applaus losbarst en de lichten aangaan, klapt er buiten een paraplu open waaronder een anonieme gestalte probeert op te gaan in de nacht — de paraplu misschien toch een kleine zucht naar theatraliteit verradend want regenen doet het nauwelijks, net zoals de buiging op de scene misschien net iets te diep is om naast zelftevredenheid niet ook blijk te geven van een zeker verlangen naar bescheidenheid.

Waar wil ik naartoe? Dat is een goede vraag, waar allicht enkel retorische antwoorden op bestaan.

Wat dan weer bewijst dat het woord inderdaad reeds in den beginne was. Maar ook dat het toen vermoedelijk niet bij God, maar wel bij de mens was. Bij personen als Johannes die schreven: ‘In den beginne was het woord en het woord was bij God.’ Terwijl ze in zichzelf dachten: als het zich zo makkelijk laat schrijven, is het misschien wel waar.

Geplaatst in Column, Filosofie, Literatuur | Een reactie plaatsen

Klara-’Zomerhuis’-kaartje aan Regina Spektor.

Lieve Regina,

Je zingt dat je je nog nooit ten volle aan iemand hebt gegeven, dat je altijd met één voet op de grond blijft staan. En dat het misschien wel zelfbescherming is, maar dat je in je geest nu eenmaal al die stemmen hoort, al die muziek, al die woorden — die keer op keer je hart breken. Je voet op de grond, jouw trouw aan je kunst, is tegelijkertijd een voet die hoog boven de wolken een dartel, utopisch pasje danst.

Maar in het volgende couplet al keer je alles om. Vraag je je af wat er zou gebeurd zijn als je hém nooit was tegengekomen en jullie elkaar nooit hadden gekust, en je alleen maar trouw was gebleven aan al die liefdesliedjes van je, die nog voor de val, je val moesten breken.

Toen ik je enkele weken geleden, op het allerlaatste concert van je tournee, voor het eerst in mijn leven live aan het werk zag, ben ik heel hard beginnen te huilen. Want die breekbaarheid in je stem, die misschien wel schuilt in precies deze trouw aan je dubbele liefdesleven, mocht ik nu ook gestalte zien krijgen. Je gaf je aan het publiek, aan ons, aan mij — net door dat nooit ten volle te doen en er altijd voor te zorgen dat dat dansende voetje van je op andere grond dan het podium bleef rusten. Je was een en al kracht en vastberadenheid. En tegelijkertijd was je broos als een stengel in de wind. Toen iemand uit het publiek — en ik was het niet — heel luid riep dat hij van je hield, moest je je hand voor je mond houden en je lach delen met je bandleden. Je had je haar die dag gewassen, zei je blozend, en nu zaten er allemaal spinnetjes in je haar. En toen je op het einde voor ons boog, lieve Regina, was het niet je volle, ik neem aan, overheerlijke boezem die me opviel, maar wel dat minuscule bocheltje dat je in de maak hebt. En verloren in je stem, je woorden, je muziek, huilde ik verder — gebroken door jouw breekbaarheid.

ps: Toen een stem na het optreden meldde dat er een after-party was om de tournee af te sluiten, voelde ik me tamelijk persoonlijk aangesproken. Maar een menselijke kleerkast, met heel andere stemmen in zijn veiligheidsoortjes dan de jouwe, zette me weer met beide voeten op de grond. Ook dansend kwam ik er zonder after-partyticket niet in. Ik knoopte een praatje met de man aan, maar jammer genoeg was hij enkel voor rede vatbaar. De man glimlachte. Ik glimlachte terug, dankte hem, ging naar buiten, zette me in het gras en… huilde verder. En besefte toen pas wat voor een geweldige after-party dit was. Dank je ook daarvoor, lieve Regina!

Herbeluister het hele ‘zomerhuis’-programma.

Luister hier naar het bewuste Spektor-nummer, ‘Fidelity’.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen