Maarten de Krabbelaar en de queeste naar het Ware Zelf

Maarten de Krabbelaar en de queeste naar het ware zelf

Mensen veranderen voortdurend, zowel lichamelijk als geestelijk. Men kan zich afvragen hoe het mogelijk is dat iemand ondanks deze transformaties toch een en dezelfde persoon blijft. Hoe komt die eenheid in ons leven tot stand – of is het slechts illusie? In het klassieke denken maakte men zich nog niet al te druk over dergelijke vragen: met de ziel immers bezat iedere persoon een onveranderlijke basis. Het geraas van het aardse leven kon niet doordringen tot de immateriële sfeer van de geest, waardoor de ziel zelfs na iemands dood borg kon staan voor iemands identiteit. Van een probleem van persoonsidentiteit was dan ook nog nauwelijks sprake.

Dat verandert op het einde van de zeventiende eeuw, wanneer de Britse filosoof John Locke erop wijst dat de immaterialiteit van de ziel ook een keerzijde heeft, namelijk dat niemand er rechtstreeks voeling mee kan hebben. Voor de vraag wat maakt dat we onszelf doorheen de tijd als identiek ervaren – gedacht vanuit een eerste-persoonsperspectief -, zijn we volgens Locke volledig op onszelf aangewezen (wat niet noodzakelijk een ontkenning van de ziel impliceert!).

Voor velen vormde de ziel niet alleen een metafysisch, maar ook een existentieel anker: zonder dit anker, vreesde men, was men overgeleverd aan de grillige stroom van het altijd veranderende bewustzijn. Persoonsidentiteit kon dan alleen nog maar een illusie zijn – louter een manier van spreken, zoals men een rivier dezelfde naam geeft, ook al vloeit er op geen twee momenten hetzelfde water door. Anderen – waaronder vele aanhangers van het opkomende materialisme – omarmden deze conclusie juist met beide armen: persoonsidentiteit als illusie scheen voor hen de belofte van een nieuwe vrijheid – een langverwacht fiat om eindelijk nieuwe filosofische horizonten te kunnen verkennen.

De Britse achttiende eeuw, die Locke maar enkele jaren heeft mogen meemaken, werd op filosofisch vlak dan ook vaak gekenmerkt door hardvochtige vetes en zelfs grove scheldpartijen. Weinig debatten zijn zo persoonlijk genomen als het persoonsidentiteitsdebat. Wanneer bijvoorbeeld een van de tractaten van de materialistische Collins verschijnt, recenseert een krant het boek als volgt: ‘If ever Man deserved to be denied the common Benefits of Air and Water, it is the Author of a Discourse of Free-Thinking.’ Dit persoonlijke kantje aan het persoonsidentiteitsdebat is zo scherp dat de filosoof Berkeley in zijn dagboek droog aanstipt dat hij beter kan nalaten – ‘lest offense be given’ – om in zijn werk het persoonsbegrip nader te omschrijven. Berkeley acht het verstandiger er niet te veel woorden aan vuil te maken. Kost wat kost wil hij vermijden beticht te worden van intellectueel exorcisme of zielen-uitdrijving. 

Naast vervelend en dikwijls kortzichtig waren de debatten vaak ook gewoon grappig. Misschien niet in de ogen van iedereen, maar alleszins wel in die van de schrijvers van The memoirs of the extraordinary life, works, and discoveries of Martinus Scriblerus. Jonathan Swift, Alexander Pope, John Arbuthnot en nog enkele anderen, slaan vanaf 1713 de handen in elkaar om aan een Rabelaisiaanse parodie op het intellectuele leven van hun tijd te werken : hun hoofdpersonage Martinus Scriblerus (Maarten de Krabbelaar) is de zoon van een groot Aristoteliaan, Dr. (Invincibile) Cornelius Scriblerus. Naar Imitatio van de Ouden bereidt de Dr. zijn zoon Martinus voor op een toekomst als groot geleerde en filosoof. ‘Gelukkige Martin,’ weerklinkt het in het boek, ‘met zo’n vader, met zo’n vriend! Hoe ver zou hij niet komen in Kunsten en Wetenschappen!’ De Dr. laat alleszins geen middel onbeproefd om zijn zoon alle kansen te geven: niet alleen is er tijdens Martinus’ verwekking angstvallig op gelet dat de wind uit het westen kwam gewaaid, naar een tip van niemand minder dan Aristoteles, ook tijdens de zwangerschap zijn op aanraden van enkele hooggeleerden de striktste maatregelen in acht genomen om te beletten dat het geniale foetusje in contact zou komen met gedegenereerde, foute muziek. Ook later tijdens Martinus’ opvoeding zijn de Ouden nooit ver weg. Wanneer Martinus’ studievriendje zich tijdens de les logica afvraagt hoe er sprake kan zijn van onsterfelijkheid als toch ieder lichaam afsterft, laat de Dr. zich van zijn beste, scholastieke kant zien en geeft Martinus en het vriendje een wijze les mee: ‘In dat verband merkte Cornelius echter op dat er een natuurlijke dood bestond, en een logische dood. Hoewel iemand na zijn natuurlijke dood niet in staat was een functie in de parochie te vervullen, kon hij zijn kerkbank in de logische categorieën wel degelijk blijven bezetten.’

VOOR HET VERVOLG: zie Ik, Mezelf en Wij.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Essays, Filosofie, Literatuur en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Maarten de Krabbelaar en de queeste naar het Ware Zelf

  1. Ph. De Man zegt:

    Het oeuvre van Cronenberg is op je lijf geschreven, Greg-person. Check it out.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s