Kortverhaal ‘De Russische Laureate’

De Russische Laureate

De Russische Laureate beste                                                                            (Artlimcie)

Toen Adam Niels op het galafeest van Het Gouden Kunstwerk arriveerde, werd hij door de gastheer onmiddellijk bij de arm genomen en naar een jonge vrouw geleid die alleen aan een tafeltje stond. Ze werd aan hem voorgesteld als ‘de zus van Eric Jones’. Zelf werd hij geïntroduceerd als Adam Niels, de schrijver van Het Hoogste Dak en De Sprong, twee fel bejubelde meesterwerken waarvan het eerste de Debuutprijs won en het tweede de Vaandrig-Literatuurprijs. Verder kon men op de achterflap van De Sprong lezen dat Adam Niels tot de tien beste Nederlandstalige auteurs onder de vijfendertig behoorde, en dat hij niet zomaar ‘een grote’ was, maar ook nog eens ‘een kanon dat met doornige rozen’ schoot, schrijvend in ‘een stijl die (…) pijnlijk mooi’ was, zodat ‘de lezer (…) zich wat graag liet raken.’

De gastheer liet hen spoedig aan hun lot over. Er waaiden steeds nieuwe nog bekendere mensen binnen en het was belangrijk dat zij goed werden ontvangen – een zin die Adam herhaalde toen de gastheer wegwandelde. Eric Jones’ zus knikte.

‘Het valt niet mee een goede gastheer te zijn,’ zei ze.

‘Dennis doet het fantastisch,’ zei Adam. Maar toen werd de stilte onvermijdelijk, want hij vond Dennis eigenlijk een kwal. Terwijl hij van zijn champagneglas nipte, volgde hij hoe hun gastheer van de ene kunstenaar naar de volgende dreef met een glimlach die hij in de spiegel van zijn narcisme voortdurend bijstelde.

Ondertussen probeerde Adam in lichte paniek te bedenken hoe hij zonder brokken de Eric Jones-hindernis kon nemen. De eerste albums van Eric Jones had hij erg sterk gevonden, een beetje cynisch en elitair misschien, maar op een manier die paste bij de originaliteit ervan. Er stond iets op het spel op de albums en hij stelde zich de jonge Eric Jones voor als iemand die iedere avond afdaalde in zijn duikbootachtige kelder om er tot in de vroege ochtend te sleutelen aan zijn songs, die hij als precisietorpedo’s afvuurde op het geoefende oor. Maar sinds enkele jaren was Eric Jones doorgebroken en in Adams ogen was dat geheel ten koste gegaan van zijn artistieke integriteit, alsof hij van een kelder naar een luxueuze penthouse was verhuisd. Van de smeulende sigaretten die zijn songs vroeger waren geweest resteerden enkel nog de assen. Verdwenen waren de fijnzinnige drumprogrammaties, het meerlagige stemmenwerk en de knap aangewende verrassingselementen (het geluid van een toevallig voorbijrijdende auto bijvoorbeeld, of het onvoorziene kraken van een trap). Het opnameproces was geen proces meer maar een procedure – een stel Start/Stop-knoppen die alleen nog op de juiste momenten moesten worden ingeduwd. Ook Eric Jones zelf was zo’n knop geworden: zijn stem was verworden tot een slechte sample van zijn vroegere stemgeluid. Adam vroeg zich wel eens af of Eric Jones veranderd was door het succes, of dat hij succes had gekregen omdat hij was veranderd. Maar dat was natuurlijk een verkeerde voorstelling van de zaak: de échte Eric Jones had nooit bestaan en zou ook nooit bestaan, tenzij dan in Adams verbeelding. Daar zat hij al enkele jaren op een gammele houten trap van een leeggehaalde kelder, rookte de ene sigaret na de andere en droomde van een vlucht naar het ander eind van de wereld waar hij opnieuw kon beginnen – onbekend en onbemind, maar echter dan ooit.

‘Ik hoorde Eric gisteren op de radio,’ zei Adam. ‘Hij schijnt het erg goed te doen.’

‘Ja, inderdaad,’ zei ze, ‘hij wordt erg populair.’ 

‘Er zijn andere tijden geweest. Tijden waarin ze op de radio niet eens wisten dat hij bestond.’

De zus van reageerde niet. Ze dronk van haar glas en keek om zich heen. Adam had alleen maar foto’s van Eric gezien, maar dat was voldoende om de sprekende gelijkenis op te merken. Ook zij had een dunne, rechte neus, uitgesproken jukbeenderen en felle wenkbrauwen. Ze was tamelijk groot en slank, had blond opgestoken haar en was een zeer mooie verschijning. Hij speelde met het idee haar te vragen hoeveel ouder Eric was, maar durfde niet goed.

‘Geniet hij een beetje van zijn succes?’ vroeg hij uiteindelijk een beetje dom. 

Ze keek hem onderzoekend aan. ‘Ik weet het niet,’ zei ze. ‘Ik heb nauwelijks nog contact met hem. Dat is de reden dat ik hier ben – om hem nog eens te zien.’

‘Hoe bedoel je? Is hij hier dan?’

‘Ja, dat zou moeten. Hij zal backstage wel ergens rondhangen. Hij moet zo dadelijk optreden.’

Adams vreugde was niet geveinsd. Hoe hij het ook draaide of keerde, Eric Jones – de échte Eric Jones – bleef belangrijk voor hem. ‘Wat een leuke verrassing,’ zei hij. ‘Ik ben benieuwd. Ik moet een van de weinige mensen in het land zijn die hem nog niet live bezig zag.’

Erics zus dronk van haar champagne en deed teken naar een van de rondlopende obers. Toen de ober vooroverboog en haar glas vulde, viel er een stilte in de zaal, gevolgd door een warm applaus.

‘Dames en heren!’ kondigde de gastheer vooraan op het podium aan. ‘Kunstenaars. Vrienden. Van harte welkom op de uitreiking van Het Gouden Kunstwerk. Zoals jullie allemaal weten zijn we reeds aan onze derde editie toe en om dat te vieren hebben we dit jaar niet enkel schrijvers, dichters, popartiesten, schilders, beeldhouwers, theatermakers en filmregisseurs genomineerd, maar ook enkele vj’s en textielkunstenaars. Bovendien hebben we ervoor gezorgd dat er kan gestemd worden voor een nieuwe categorie: de Artistieke Persoonlijkheid van het Jaar. Het belooft dus een spetterende avond te worden, temeer daar ik nu de eer heb de laureaat van vorig jaar aan te kondigen. Geef hem een daverend applaus! Dames en heren: Eric Joooo-ones!!’

Vj’s en textielkunstenaars? dacht Adam. En juweliers dan, en bloemschikkers? En vuurwerkmakers? En moest ook een kok niet als een kunstenaar worden beschouwd? Maar ondertussen werd vooraan zijn aandacht getrokken door een man die zijn entree maakte in een beige pak. Eric Jones was niet alleen, hij werd omringd door drie muzikanten die als schimmen naar hun instrumenten slopen. Zelf liet hij zich eerst nog omhelzen door een zichtbaar ontroerde gastheer. Hij had cowboyboots aan en zijn stappen maakten een bestudeerde indruk. Hij trok diep van een sigaret, ging door zijn haar en gespte zijn gitaar aan, die hij op zijn rug hing. Uit zijn halfopen overhemd puilde borsthaar en met een koket lachje streelde hij de microfoon. Toen de drums begonnen en de synths invielen, zwaaide hij zijn hoofd naar achter en wierp een blik op een denkbeeldig balkon. Toen sloot hij de ogen en begon te zingen.

Adam stond versteld. Hij wist niet wat hij hoorde: de stem was een en al geneuzel en de woorden werden gearticuleerd alsof het uit te spuwen etensrestjes waren. Wat was er gaande? Was Eric zichzelf aan het parodiëren? Maar ook de volgende nummers werden op dezelfde wijze ingezongen. Eric stond nu in halve spreidstand, liet zijn gitaar losjes tegen zijn buik bengelen en scheen er een punt van te maken het instrument zelf niet te bespelen. Af en toe wees hij met een uitgemolken gebaar naar iemand in de zaal of stampvoette driftig met zijn laarzen op de grond. Tussen de solo’s door zwalpte hij langs de rand van het podium, terwijl hij diep aan zijn sigaret zoog die hij daarna op een van zijn stemschroeven plaatste. Adam was verward. Hij schaamde zich in Erics plaats. Alles was pose aan de man, ook de zelfironie en de bedenkelijke grapjes.

Maar geleidelijk aan begon hij Erics gedrag anders te bekijken. Hij zag een man die zich na jaren van isolement en miskenning met een duivelse grijns had overgegeven aan het publiek. Zelfvernedering was de enige manier om in de smaak te vallen en zo had de kunstenaar zichzelf getransformeerd tot een kitscherig kunstobject. Kijk, leek hij te zeggen, dit is wat jullie van een artiest als mij verlangen. Dit is wat jullie van mij maken. Kijk naar mij, ik toon jullie wie jullie zijn. Eric Jones als martelaar van de pop. Hij was niet langer de miskende Jahweh van vroeger, maar een stralende Christus die onder luid gejuich over het water liep en het ene wonder na het andere verrichtte. Maar lijden deed deze Messias evenzeer. Eric was nu aan het wankelen en het was duidelijk dat hij iets genomen had. Hij had de microfoon half in zijn mond gestoken en stiet een reeks onverstaanbare kreten uit. Het was afgrijselijk, maar het publiek scheen het geweldig te vinden. Regisseurs, schrijvers, journalisten, ze klapten allemaal vrolijk in de handen en jubelden van de pret. En waarom geen architecten? dacht Adam woedend. Waarom geen dansers? Waarom geen ingenieurs? 

‘Sorry,’ zei hij plots tegen de vrouw naast hem, ‘ik moet naar buiten. Dit is vreselijk. Sorry.’ Hij besefte pas tegen wie hij het had gezegd, toen hij over de rode loper van de poepchique casinohal liep, maar het kon hem plots allemaal niet meer schelen. Hij stak de straat over en liep regelrecht het strand op. Hij schopte tegen een zandtorentje en wilde net een strandhokje te lijf gaan, toen hij een elegante gestalte het strand zag op komen. Hij herkende haar meteen en schaamde zich.

‘Sorry,’ zei hij. ‘Ik flapte er daarnet maar wat uit. Ik was mezelf niet.’ Toen pas zag hij de tranen in haar ogen.

‘Nee,’ zei ze, ‘jij bent de eerste persoon in jaren die de waarheid zegt. Hij verdient een draai om zijn oren.’

Ze zetten zich in het zand, waarna ze begon te vertellen. ‘Hij is altijd mijn lievelingsbroer geweest,’ zei ze. ‘Hij is drie jaar ouder, maar ik heb hem altijd een beetje als mijn kleine broer beschouwd. Niet dat hij mijn hulp nodig had of zo. Dat vooral niet eigenlijk. Hij is altijd een lonesome cowboy geweest. Introvert en… speciaal. Je zette altijd grote ogen op als hij met iets afkwam. Hij maakte bijvoorbeeld ooit een stripverhaal voor mij. Of hij bokste zelf een radioprogramma in elkaar. Begrijp je wat ik wil zeggen?’

‘Ik denk wel dat ik je kan volgen.’

‘Ik heb nog één andere broer en twee zussen, maar ik trok vrijwel alleen met Sander op. Nu is het andersom: Sander is de enige die ik niet zie.’

‘Sander?’

‘Ja, Eric. Eric Jones is zijn artiestennaam. Zijn echte naam – onze echte naam – is Vandevoorde. Stel je voor,’ zei ze lachend, ‘het nieuwe album van Sander Vandevoorde.’

‘De nummer één van de Hitparade,’ grapte Adam, waarna hij zich onmiddellijk excuseerde.

‘Nee,’ zei ze, ‘je hebt gelijk: de Hitparade, daar hoort hij nu thuis. Vroeger zette hij zich af tegen alles wat mainstream was. Normaal houd ik niet van mensen die per se anders willen doen. Maar Sander stelde er altijd iets tegenover. De dingen die hij maakte of verzon, waren altijd waardevol. Het waren glimpen van een wereld die echt anders was. Een wereld die je verlangde te kennen. Hij was altijd wel ergens op aan het broeden. Hij was geen betweter, maar wel een betzoeker: hij wist dat het betere bestond, hij voelde het diep in zichzelf. En hij vond pas rust als hij het eruit kreeg, ongeacht wat de wereld daarvan dacht. Toen hij een jaar of dertien was, moest hij een verzameling van opgespelde vlinders aanleggen. Weet je wat hij deed? Hij toverde zijn vlindernetje om tot een vlinder: het netje werd de kop en van de steel maakte hij een lijfje waar hij grote vleugels aan hing. Eerst was ik kwaad omdat ik dacht dat hij de grote vleugels van tientallen echte vlindervleugels had gemaakt. Maar toen hij mijn tranen zag, lachte hij en zei dat hij die kleine vlindervleugels met behulp van een nieuw computerprogramma en flinterdun fotopapier had gemaakt. Zijn leraar echter liet hij in de waan – wat hem drie strafstudies kostte, waarin hij tussen haakjes dat stripverhaal voor mij maakte.’

Een tijdje keken ze in stilte naar de golven. Het badseizoen was allang voorbij, maar het was ongewoon warm voor de tijd van het jaar en niets leek normaler dan op het strand te zitten.  

‘Tijdens het optreden moest ik aan iets geks denken,’ ging ze verder, ‘aan een schilderij dat ik laatst voor twee euro kocht op een rommelmarkt. De Russische Laureate heet het. Het is een donkerblauw doek en de toeschouwers onderaan zien eruit als een strak geordend leger van schaakpionnen. Voor hen, in het midden van de blauwte, zweeft een zwarte vleugelpiano. Het rode vrouwtje dat erop speelt is zo rank en fijn dat het lijkt alsof de pianomuil haar ieder ogenblik kan verslinden. Ze komt uit de Sovjet-Unie, dus je kan vermoeden wat haar achtergrond is: van kleins af aan is ze gedrild om op deze wedstrijd het duivelse blauwe westen de loef af te steken. Dat is de missie die ze in haar leven moet vervullen, de rest is bijzaak. Al jarenlang wordt ze gewikt en gewogen door grijsgekostumeerde partijbonzen, voor wie ze geen kunstenares is maar slechts een radertje van de grote communistische machine die over het westen moet heenwalsen. En nu zit ze daar, tussen al dat blauw – maar blauw of rood, merkt ze, het maakt geen enkel verschil uit: in het westen gaat het er net zo aan toe als in haar thuisland. Ook in deze zaal wordt ze aangestaard door grijsgekostumeerde cultuurbarbaren. Ook hier begrijpt niemand wat kunst is. Dus doet ze gewoon wat ze altijd heeft gedaan: ze geeft zich over aan het spel en geniet met volle teugen. Ze is een onnozel rood stipje in een donkerblauwe oceaan, maar via dat stipje sluipt er wel leven in het schilderij, speelsheid, humor. Het blauw bovenaan schuift op naar een zachtere teint en ook in het publiek breekt iets van haar spelplezier door: alle toeschouwers zitten kaarsrecht. Maar op de laatste rij zitten er twee die elkaar stiekem iets in het oor fluisteren. Ik moest daaraan denken,’ besloot ze, ‘omdat het zo hard contrasteert met Erics optreden. Eric is verslonden. Er zijn geen kleurschakeringen meer, geen humor. Hij zelf, zijn songs en zijn publiek vormen één monsterlijk kluwen – een kwallenkolonie in de oneindigheid van de donkere kunstoceaan.’

Adam verwonderde zich over hun intimiteit. Hij ging geregeld met vrouwen naar bed – vrouwen die hij opscharrelde op recepties en zelfs vrouwen die hij betaalde. Maar dat kon in de verste verte niet tippen aan wat hij nu ervoer. Hij had zin zijn hand op de hare te leggen en er zachtjes in te knijpen. Tegelijk speelde hij met het idee haar in vertrouwen te nemen. Als hij zijn twijfels over zijn nieuwste boek aan iemand kon uiten, was het aan haar. Al twee jaar werkte hij aan De Ladder. Volgens zijn uitgever was het boek klaar, maar in zijn eigen ogen moest het nog goed en wel beginnen. De driehonderd pagina’s die hij had geschreven sproten louter voort uit vakmanschap. De Ladder hing voor hem nog altijd in het niets. Toen zijn uitgever hem twee jaar geleden vroeg – ‘namens de lezers’ – iets te schrijven in de trant van de vorige twee boeken, had Adam geknikt. Maar in zichzelf had hij zijn neus opgehaald. Hij wilde iets anders. Wat precies wist hij niet, maar dat was geen probleem: De Ladder zou het hem leren. Maar twee jaar later kwam hij met grote schrik tot de constatatie dat hij het boek van zijn uitgever had geschreven: op alle mogelijke fronten had hij zichzelf herhaald – van plot tot stijl tot zelfs de grapjes toe. Hij had alleen maar over zijn eigen platgetreden paden gelopen, waardoor hij aan het eigenlijke boek was voorbijgegaan. Eigenlijk moest hij helemaal opnieuw beginnen in de hoop dat het boek zich alsnog aan hem zou geven. Maar hij wist dat zijn uitgever – ‘én de lezers, beste Adam, én de lezers’ – daar anders over dachten.

De afgelopen weken had hij nauwelijks geschreven. Hij keek vooral zijn emails na en surfte op het net. Hij updatete zijn blog, gaf lezingen en interviews, schreef columns op bestelling en schuimde tientallen recepties af. Hij was de wanhoop nabij. Hij klonk met andere topauteurs onder de vijfendertig, maar over eigen werk werd niet gepraat. Adam was niet naïef. Hij wist dat hij van de andere auteurs geen raad of steun hoefde te verwachten. Het was ieder voor zich. Van zodra Adams zelfvertrouwen een deuk zou vertonen, zouden de anderen gezamenlijk de rangen sluiten en hem laten vallen als een baksteen, in de hoop dat hij er in ontgoochelde verbittering een punt achter zou zetten. Ze waren een stel haaien in een veel te klein vijvertje. Eén bloedend schrammetje en hij zou meedogenloos worden verscheurd. Stiekem droomde Adam ervan te verhuizen naar het ander eind van de wereld. Hij wilde weg uit dit kleine land. Hij wilde ergens anders met een propere lei opnieuw kunnen beginnen.

‘Adam Niels,’ vroeg ze, ‘is dat je echte naam?’ 

Hij keek op. ‘Jazeker,’ zei hij. ‘Waarom? Dacht je soms van niet?’

‘Ik weet het niet, hij bekt zo lekker. Het is een ideale auteursnaam. Daar wordt niet iedereen mee geboren.’

Adam schrok. Hij had nooit stilgestaan bij zijn naam. Wat als hij bijvoorbeeld Gunther Van Bunneslags had geheten? Zou hij ook dan de Debuutprijs hebben gewonnen? Zou hij dan zelfs maar hebben geschreven? Hij betwijfelde het. Hij zou misschien nooit zo ver zijn gegaan zichzelf een auteursnaam te geven, dat vond hij aanstellerig. Maar het zou in dat geval wel noodzakelijk zijn geweest. Gunther Van Bunneslags, daarmee kreeg je zelfs geen doodsbericht in de krant versierd.

‘Hoe staat het eigenlijk met je nieuwe boek?’ vroeg ze plots. ‘In een artikel las ik dat men er ontzettend naar uitkijkt. Ik ben eigenlijk ook wel benieuwd, ik heb nog niets van je gelezen. Wanneer verschijnt het?’

 

Toen Adam een halfuur later over de snelweg naar huis reed en door de luidsprekers de stem van Eric Jones herkende, schakelde hij met een vloek de radio uit. De eerste druppels plensten tegen de voorruit en hij beeldde zich in dat Erics zus nog steeds op het strand zat en dat ze de druppels met gesloten ogen in ontvangst nam. Erics zus. Wat een idioot was hij: hij was niet alleen gevlucht, hij had zelfs niet eens haar naam gevraagd. Toen ze naar zijn boek had geïnformeerd, had hij heel even in de waan verkeerd dat zijn eigen naam inderdaad slechts een pseudoniem was, een masker dat hij rustig kon afnemen zodat hij haar de achterliggende leegte kon laten zien. Heel even – toen kreeg hij het gevoel dat hij zijn eigen huid eraf aan het trekken was, waarna zijn gestotter overging in stilte. Tien minuten nog bleef hij zitten. Daarna nam hij afscheid met de leugen dat hij de volgende dag fit wilde zijn om te schrijven.     

Thuis zat hij een hele poos voor het raam. Hij dronk whisky en rookte de ene sigaret na de andere. Pas onder de douche kreeg hij opnieuw wat vat op zichzelf. Het warme water droop in weldadige stralen langs zijn lichaam en geleidelijk aan vloeide de spanning uit hem weg. Goed, hij had een flater begaan. Maar wilde dat zeggen dat zijn kansen definitief verkeken waren? Hij kon morgen naar Dennis bellen en haar nummer vragen. Hij kon haar uitnodigen voor een etentje. Zou ze iets voelen voor vis? Hij had een leuk visrestaurantje ontdekt, vlakbij zijn stamkroeg… 

Met een handdoek rond zijn middel schakelde Adam het televisiejournaal aan. Hij liep naar de keuken voor yoghurt. Met een groot broodmes versneed hij een appel, die hij samen met muesli en enkele druiven in een diep bord yoghurt deed. Neuriënd zette hij zich in de zetel en terwijl hij genoot van de geslaagde combinatie van zoet fruit en zure yoghurt, keek hij naar het verlaten plein. De regen gutste naar beneden en met leedvermaak dacht hij aan de casino-artiesten die straks met hun pakken door de regen moesten.

Toen hij aan de andere kant van de woonkamer zachtjes het woord casino hoorde vallen, begreep hij dat zijn laatste gedachte niet uit het niets was voortgekomen. Hij draaide zich om en zag tot zijn verbazing de zaal waarin hij eerder die avond te gast was geweest. Er werd net ingezoomd op Dennis, maar het geluid stond te zacht en Adam kon niet horen wat er werd gezegd. Dennis stond op het podium en haalde met veel vertoon een kaartje uit een envelop. Hij las het voor, maar er gebeurde niets: publiek en gastheer bleven elkaar stilzwijgend aankijken. Uiteindelijk las Dennis het een tweede maal voor, waarna hij met een blik vol hilarisch ongeloof de zaal afspeurde. Toen hij zijn armen spreidde, begon ook het publiek te lachen. Adam greep net naar de afstandsbediening, toen hij op het scherm plotseling zichzelf zag verschijnen. Hij versteende. Het was de foto die zijn uitgever destijds had gebruikt voor de achterflap van Het Hoogste Dak en waar hij altijd een hekel aan had gehad: hij, de jonge belofte, poserend aan zijn schrijftafel, de blik gericht op andere dimensies, de boeken in de kast achter hem evenzovele schouderklopjes van bewonderde voorgangers. Hij hapte naar adem. Toen hij de volumeknop eindelijk had gevonden, hoorde hij de nieuwslezeres zeggen dat iedereen erg blij was met de keuze van Adam Niels als Artistieke Persoonlijkheid van het Jaar.

‘Vol verwachting wordt uitgekeken naar De Ladder,’ besloot ze, ‘het derde boek van de nog maar drieëndertigjarige schrijver. Het boek zal uitkomen bij Uitgeverij Glorieus en verkrijgbaar zijn bij…’

Met een krijtwit gezicht staarde Adam de nacht in. Hij legde zijn hoofd tegen het kille raam, toen hij plots werd verblind door een lichtflits. Hij slaakte een kreet en schermde in paniek zijn gezicht af.  

‘Rotjournalisten!’ gilde hij.

Maar toen hoorde hij de donder als een zware vrachtwagen door de straten denderen. En het volgende moment lag hij opnieuw in het reusachtige bed van zijn ouders. Buiten was de wereld aan het vergaan: hij hoorde het onweer, de regen, de wind. Maar tussen zijn ouders was hij veilig. Hij was een breekbaar ei in de warme vallei tussen twee machtige berglichamen.

Een kwartier later bereikte het onweer haar hoogtepunt. Ramen en deuren trilden, en de fles whisky rolde heen en weer over de grond. Adam lag nog steeds op het bed, maar de bergen waren verdwenen en hij kon zich nergens meer verschuilen. Hij was een stip in de oneindigheid, terwijl de donkere hemel boven hem ieder moment kon openscheuren om hem te verslinden. Hij moest vluchten maar hij had geen idee waarheen.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Kortverhalen, Literatuur. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s