Essay uit ‘Ik, mezelf en wij’, over een merkwaardig journalistiek boek en een nog veel merkwaardiger personage.

Het Geheim van Joe Gould

Joe 1

De New Yorkse Village van de jaren dertig van de vorige eeuw. Kosmopolitisch en knus tegelijk. Een zekere Joe dwaalt door de straten, schuilt in portieken, slaapt op parkbanken en schuimt de koffiehuizen af. Met zijn knobbelige kabouterneus, zijn groezelige baard en dito kostuum, zijn alerte ogen en hoge voorhoofd lijkt hij een door de tijd verdwaalde Socrates. Maar het zijn vooral zijn eigenzinnige gedrag en excentrieke praatjes die de Villagers ervan overtuigen met een genie te doen te hebben. Overal waar ze Joe tegenkomen, zien ze hem gedreven notities maken in beduimelde schriften. Het duurt dan ook niet lang of het gerucht gaat de ronde dat er in de Village een genie rondwaart dat een baanbrekend historisch werk aan het schrijven is. Een Mondelinge Geschiedenis van Onze Tijd zal het boek heten en het zal revolutionair zijn, want in plaats van de geschiedenis op te hangen aan aardverschuivende gebeurtenissen of grote persoonlijkheden zal Joe de essentie van zijn tijd puren uit niets anders dan het gedaas en gebazel van de man in de straat. Of zoals Joe zelf opmerkt, heel bescheiden:

Een paar generaties nadat ik dood en begraven ben, zullen de doctoren in de letteren mijn werk gaan doorpluizen. Kun je nagaan hoe verbaasd ze zullen zijn. “Verrek nog aan toe,” zullen ze zeggen, “die vent was de meest briljante historicus van de eeuw.”

De geruchten over Joe komen ook Joseph Mitchell ter ore, journalist voor The New Yorker. Altijd op zoek naar extravagante figuren neemt hij contact op met Joe, die, kinderlijk gevleid door de media-aandacht, wat graag bereid is enkele avonden vrij te maken voor de journalist: nu eens als een vrolijke clown, dan als een trieste pierrot, lalt Joe zich avond na avond met onsamenhangende faits divers van het ene glas alcohol naar het andere – drank op kosten van Mitchell. Mitchell is erg geduldig met zijn onderwerp, maar tracht de losgeslagen verteller na enige tijd toch iets meer in de richting van het eigenlijke onderwerp te stuwen: het geniale historische werk, of Joe daar misschien iets over kan vertellen? En of Mitchell het werk misschien eens mag inkijken? Joe reageert uiterst ontwijkend: het is quasi onmogelijk om aan de schriften te geraken, legt hij uit. Sommige bevinden zich bij vrienden, andere liggen veilig weggeborgen in een schuilkelder op het platteland waarvan de eigenaar onder geen beding gestoord wenst te worden. Om Mitchell wat te paaien, begint Joe uiteindelijk te vertellen over enkele merkwaardige autobiografische opstellen die hij aan het schrijven zou zijn. Mitchell begrijpt niet waarom. In het artikel schrijft Mitchell:

De mondelinge geschiedenis bevat een aantal autobiografische essays, en hij zegt dat die allemaal een poging zijn om zichzelf aan zichzelf uit te leggen. In een ervan, Waarom ik me niet aan de beschaving kan aanpassen, of wat daarvoor doorgaat, of wel doen, niet doen, wel doen, niet doen, een notitie van heb ik jou daar, kwam hij tot de conclusie dat zijn verlegenheid de bron van alle ellende was. “Ik ben introvert en extravert tegelijk,” schreef hij, “een tegenstrijdige mengeling van kluizenaar en Sixth Avenue-veilingmeester. De ene voet zegt wel doen, de andere niet doen. De ene voet zegt hou je mond, de andere zegt loei als een stier. Ik ben verschrikkelijk verlegen maar probeer het niet aan mensen te laten merken. Ze zouden me alleen maar te grazen nemen.”

Wanneer de publicatie van het verslag nadert, belt Joe steeds vaker naar de krantenredactie voor het een of andere detail dat er volgens hem nog bíj moet – nooit moet er voor hem iets weg. Ook krijgt Mitchell ’s avonds laat vaak telefoon van een hypernerveuze Joe met de smeekbede om stante pede af te spreken voor een zaak van levensbelang – het leven van Joe, zo blijkt steevast. In de cafés is Mitchell ook steeds vaker getuige van Joe’s drieste verwaandheid. Zo hoort hij Joe op een keer uitvliegen tegen een dienster die hem blijkbaar niet met genoeg egards heeft behandeld:

Bovendien – en dit is iets wat jullie maar niet lijken te willen snappen – ben ik niet zomaar iemand. Ik ben Joe Gould – ik ben Joe Gould, de dichter; ik ben Joe Gould, de geschiedschrijver; ik ben Joe Gould, de woeste Chippewar indianendansdanser; en ik ben Joe Gould, de grootste autoriteit ter wereld op het gebied van de taal van de zeemeeuwen.

Mitchells argwaan groeit. Uiteindelijk krijgt hij Joe zover dat hij enkele stukjes uit het baanbrekende werk mag bestuderen. Maar naast enkele nietszeggende flarden krijgt hij alleen maar enkele autobiografische opstellen te lezen – de teksten waarover Joe het eerder had. De opstellen blijken steeds rond dezelfde vier onderwerpen te draaien: de dood van Joe’s vader, de dood van Joe’s moeder, een of andere uiterst gevaarlijke verslaving aan tomaten, en de rituele dansen van de indianen van North Dakota.

Toch is het pas veel later, lang na de publicatie van het eigenlijke artikel, dat de volle waarheid tot Mitchell doordringt: er is helemaal geen briljant historisch werk. Er zijn alleen deze enkele autobiografische opstellen waar Joe al jaren aan schaaft. Het werk behelst niet meer dan de pathologische revisies van steeds dezelfde teksten: met het eindeloze corrigeren, bijvijlen, herschikken en herformuleren cirkelt Joe niet omheen zijn tijd, maar alleen omheen zijn eigen leven.

Mitchells journalistieke portret van Joe, getiteld Professor Zeemeeuw, verschijnt in 1942. Ondanks Mitchells groeiende scepsis ten aanzien van de Mondelinge Geschiedenis blijft hij ook daarna Joe ontmoeten. Hij geeft hem nu en dan wat geld en aandacht. Ondertussen rept hij met niemand over zijn vermoedens, want hij wil Joe niet van zijn broodwinning beroven.

Dat doet hij pas wanneer Joe dood is, in een tweede portret (Het Geheim van Joe Gould, verschenen in 1964 – de bundeling van de twee verslagen verscheen in het Nederlands eveneens onder die titel) waarin hij een veel minder fraai beeld van Joe schetst. Joe wordt nu niet meer voorgesteld als een genie, maar eerder als een drammerige en lastige komediant die zich sluw heeft weten te bedienen van het beeld van ‘de Excentrieke Auteur van een Geweldig, Geheimzinnig, Ongepubliceerd Boek’ om de vrijgevigheid van de Villagers aan te wakkeren.

Vraag is echter of Mitchell daarmee niet enkele fundamentele aspecten over het hoofd ziet van de figuur die hij anders zo loepzuiver portretteert. Hoe immers Joe’s zogenaamde opportunisme te rijmen met zijn steeds frequentere uitbarstingen waarbij hij, ‘met zijn neusgaten opengesperd’ en ‘met een air van heldhaftige opstandigheid’, onder meer het volgende prijsgeeft:

De mondelinge geschiedenis is mijn houvast en mijn steun geweest, mijn kost en mijn inwoning, mijn vrouw en mijn lellebel, mijn wonde en het zout erin, mijn whisky en mijn aspirine, en mijn rots en mijn redding. Het is het enige waar ik ene donder om geef. Al het overige is schuim en as.

Joe mag zich dan af en toe opportunistisch gedragen, bovenstaande uitbarsting geeft duidelijk aan dat hij niet louter uit opportunisme handelt. De Mondelinge Geschiedenis is zijn ‘rots’ en ‘redding’, het enige waar hij ene donder om geeft. Als Joe zich opportunistisch betoont, is dat niet omdat hij op geld uit is, maar omdat de Mondelinge Geschiedenis al zijn tijd en energie opslokt. Hij heeft de kans niet om voor de kost te werken, dat kunnen alleen mensen die geen missie hebben. Zo’n missie is overigens allesbehalve een pretje: de ‘zegen’ van de Mondelinge Geschiedenis blijkt tevens een vloek te zijn, ‘zout’ en ‘wonde’ tegelijkertijd, een vrouw maar wel een ‘lellebel’ van een vrouw. Het is hier dat de sluimerende verwaandheid van Joe haar oorsprong vindt: hij is een man met een roeping, hij verdient het te worden ontzien, hij is niemand minder dan… Joe Gould, de briljante schrijver van de Mondelinge Geschiedenis.

Joe is niemand minder dan Joe Gould. Ten minste, dat vermoedt hij. Helemaal zeker is hij niet. In een van zijn autobiografische essays laat Joe zich iets merkwaardigs ontvallen. ‘Ik denk dat ik Joe Gould ben,’ schrijft hij. Hij denkt het, hij weet het niet zeker. Alsof het iets is dat hij wel wil maar niet helemaal kan geloven. Dat lukt wel als de Villagers in de cafés vol ontzag naar hem kijken, of wanneer hij Mitchells hongerige interesse in zijn persoon ervaart. Dan maakt zijn zelfvertrouwen een gillend sprongetje en voelt hij zich daadwerkelijk één worden met Joe Gould. Dan beginnen zijn lippen te trillen van emotie en begint hij vol vuur over zijn Mondelinge Geschiedenis-project te orakelen – zonder echter veel prijs te geven over de inhoud ervan.

Maar op andere momenten schijnt Joe inderdaad zelf niet te kunnen geloven dat hij Joe Gould is. Voorbeelden daarvan vinden we te over in Mitchells twee verslagen. Het zijn de momenten waarop Mitchell ons een Joe toont die worstelt met een pijnlijk verleden. Wat we hierover te weten komen, is dat Joe in de ogen van zijn ouders heeft gefaald. Er is zijn moeder die nooit iets anders dan een meelijwekkend jongetje in hem zag.

En er is zijn vader voor wie hij immer pijnlijk tekortschoot en over wie Joe het volgende zegt:

Zoals ik al zei, waren mijn grootvader en vader allebei arts, en toen ik opgroeide was ik me er terdege van bewust dat mijn vader hoopte dat ik in zijn voetsporen zou treden, zoals hij in het voetspoor van zijn vader was getreden. Hij zei het nooit, maar voor mij en voor iedereen was het zo duidelijk als wat dat hij dat wilde. Ik hield van mijn vader en ik wilde dat hij een goede dunk van me had, maar ik wist al vanaf dat ik heel klein was toen ik flauwviel bij het zien van bloed omdat ik onze kokkin bij toeval de nek van een kip zag omdraaien, dat ik hem zou teleurstellen, want ik kreeg het echt Spaans benauwd bij de gedachte dat ik dokter zou zijn.

Wanneer Joe zijn vader uiteindelijk fier meldt dat hij heeft besloten chirurg te worden, lacht zijn vader hem gewoon uit.

Dat Joe in de knoop ligt met zijn verleden, blijkt ook uit de essays die hij altijd herschrijft. Zo draait een van de vier terugkerende onderwerpen rond een geheimzinnige ziekte die verantwoordelijk zou zijn voor ‘veel rampspoed die de mens overkomt, variërend van acne tot automobielongelukken en van verkoudheid tot misdaadgolven.’ Naar de oorzaak en ware aard van de ziekte hebben de artsen het raden. Joe evenwel beschrijft de ziekte tot in de kleinste details en doet vervolgens haarfijntjes de oorzaak uit de doeken. Die oorzaak is: de ‘toegenomen consumptie van tomaten, zowel rauw als gekookt als in de vorm van soep, saus, sap, en ketchup.’ Het verband met Joe’s aversie tegen bloed, die hem ongeschikt maakte voor de artsenij en hem in zijn eigen ogen tot een slechte zoon maakte, is niet ver te zoeken. Tussen haakjes: dit bloedmotief duikt wel vaker op in Joe’s leven, zo blijkt uit Joe’s restaurantbezoeken, waarover Mitchell het volgende rapporteert:

Zodra de dienster zich had omgedraaid, pakte hij een fles ketschup die ongeveer halfvol was en goot die op zijn bord uit zodat er een cirkel van ketchup rond de eieren lag. Toen schoot hij naar een afgeschoten zitje naast het onze en kwam met nog een fles terug die misschien voor een derde vol was, en goot de inhoud daarvan eveneens op zijn bord uit zodat zowel eieren als brood geheel onder de ketchup zaten.

Naast Joe’s gestelde diagnose wekt ook de argumentatievorm van Joe’s essays een karikaturale indruk. Lukraak strooit Joe met stompzinnige beurscijfers die hij vervolgens aan elkaar rijgt met zinnen als: ‘En als dat waar is, dan geldt ook dat…’ Het is alsof hij met het hele zaakje de spot drijft. Maar omdat de spot zo bloedernstig wordt doorgedreven, verandert de komische noot algauw in een wrange. Hij wil zijn vader laten zien dat hij niet alleen over de diagnostische capaciteiten van een normaal arts beschikt, maar dat zijn talenten nog heel wat verder reiken. Hij heeft lak aan de ‘normale’, wetenschappelijke weg – de academische artsenopleiding die hij vanwege het voorval met zijn vader niet volgde. Hij heeft geen nood aan een statistisch looprek. Hij heeft de vleugels van zijn geniale intuïtie en daarmee vliegt hij vlot overheen alle bekrompen wetenschappelijke tussenstappen en dringt hij meteen door tot de kern van de zaak.

Een ander onderwerp uit de essays heeft betrekking op Joe’s verblijf bij de Chippewa-indianen van North Dakota, waar hij is heen gestuurd om de maten op te nemen van indianenhoofden. Joe zit op dat moment naar eigen zeggen in zijn ‘eugenetische periode’ – opnieuw een alternatieve manier om de vaderlijke arts naar de kroon te steken. Hij weet dat zijn onderzoek wetenschappelijk niet veel voorstelt, maar dat vindt hij niet erg. Hij ontdekt immers iets veel waardevollers, iets waar geen enkele arts oog voor kan hebben, namelijk de diepere betekenis van de indianendansen. Hij wordt de enige westerling die iets van indianendansen begrijpt.

Met dit alles beginnen we Joe meer en meer te zien als een drenkeling voor wie de Mondelinge Geschiedenis een wrakhout is dat hem moet redden van de verdrinkingsdood in de oceaan van zijn verleden. De emotionele uitvallen krijgen nu ook hun volle tragische betekenis:

De mondelinge geschiedenis is mijn houvast en mijn steun geweest, mijn kost en mijn inwoning, mijn vrouw en mijn lellebel, mijn wonde en het zout erin, mijn whisky en mijn aspirine, en mijn rots en mijn redding. Het is het enige waar ik ene donder om geef. Al het overige is schuim en as.

Wanneer de Villagers in hem het miskende genie bewonderen, slaagt Joe er tijdelijk in het ‘schuim en as’ van zijn Joe-leven te ontstijgen. De Villagers vervullen in zijn hoofd dan de rol van advocaten op het proces waarin zijn ouders optreden als aanklager. Joe’s ouders hebben hem altijd als een leegloper gezien, een nietsnut. Joe heeft deze rol voor de Villagers uitvergroot: voor hen is hij letterlijk een zwerver en tafelschuimer geworden. Maar voor hen is hij tegelijk Joe Gould, en de Villagers leggen de ouders uit dat dit leeglopersleven slechts schijn is en dat Joe in wezen de hardwerkendste persoon van hen allemaal is. De enige reden dat Joe dit leeglopersbestaan leidt en op de kap van anderen leeft, is dat dit voor hem de enige manier is om onverdroten voort te werken aan zijn Mondelinge Geschiedenis. Joe is geen leegloper, maar een fel onderschat en ijverig genie.

Maar de Villagers kunnen het proces tegen de ouders nooit winnen. Joe kan zich pas echt vrijgesproken weten wanneer hij daadwerkelijk Joe Gould zou kunnen worden. Dat kan echter pas als hij de Mondelinge Geschiedenis zou kunnen voltooien. Maar om dat te doen, zou hij juist al Joe Gould moeten zijn, want niet Joe maar Joe Gould is de briljante auteur van de Mondelinge Geschiedenis. Joe jaagt op een spook – Joe Gould, een gewichtloze schim die uit het zwarte gat van Joe’s verleden zou kunnen ontsnappen. Maar Joe zelf is van vlees en bloed. Hij kan zichzelf niet omtoveren tot Joe Gould en hij blijft dan ook worstelen met de zinnen van zijn autobiografische essays, hij blijft corrigeren, herschrijven, schrappen, toevoegen, herwerken.

De teneur in Joe’s latere leven wordt steeds triester. Joe beseft maar al te zeer dat hij het pleit aan het verliezen is. Hij is realistisch genoeg om in te zien dat de voltooiing van de Mondelinge Geschiedenis lang niet in zicht is en dat hij naar de maatstaven van de gemeenschap zelfs helemaal geen vorderingen meer boekt. Maar het is niet omdat hij dat weet en alleen nog maar aan de autobiografische essays werkt, dat hij daarom meteen de bedrieger is die Mitchell in hem ziet. Integendeel, met het voortploeteren aan de autobiografische essays toont hij juist hoe oprecht hij is in zijn onmogelijke streven, een volwaardige Sisyphus.

Wanneer Mitchell hem eindelijk openlijk ‘ontmaskert’ en hem voor de voeten werpt dat er helemaal geen Mondelinge Geschiedenis is, reageert Joe dan ook niet als een bedrieger die zich in het nauw gedreven voelt. Hij gaat niet in de tegenaanval maar zegt heel gelaten dat het niet te wijten is aan luiheid. Het verwijt van luiheid is het enige dat hem in de ‘ontmaskering’ schijnt te treffen: niet toevallig is het ook het verwijt dat zijn ouders hem altijd maakten. Dat Mitchell hem een bedrieger vindt, komt niet eens bij hem op. Uit zijn berustende reactie spreekt vooral onmacht en ontoereikendheid: Joe is moe, hij voelt zich niet meer opgewassen tegen zijn immense taak. Joe voelt hoe ver hij nog afstaat van Joe Gould. Hij wil dan ook zijn hart uitstorten. Maar Mitchell die denkt dat Joe open kaart wil spelen en ‘bedriegers’ niet graag door de mand ziet vallen, wijst hem de deur met de smoes dat hij nog veel werk heeft. Hij denkt dat hij daarmee Joe’s gezicht redt. Maar in werkelijkheid krenkt hij hem in het diepst van zijn hart. Joe riposteert dat hij zelf ook nog veel werk heeft en loopt nors weg.

Met eenzelfde onmacht wordt Joe geconfronteerd op de Village-feestjes waar hij tot ieders afkeer vaak tot in de vroege uurtjes blijft hangen. In het begin van de avond is hij nog vol van zichzelf (van Joe Gould eigenlijk). Ervan overtuigd dat ze aan een groot man als Joe Gould niet kunnen weerstaan, probeert hij iedere mooie vrouw te kussen. Maar na evenzovele afwijzingen spat de bel van zijn zelfbegoocheling uiteen en begint hij uit onmacht te dansen als een wildebras. Eenzaam beeldt hij op de dansvloer de vlucht van de zeemeeuw uit, terwijl hij wild met de armen klapwiekt en krijsend roept: ‘Skkrie-iek! Ik ben een zeemeeuw.’

In het voorwoord van de bundeling van zijn twee portretten schrijft Mitchell dat hij met zijn twee verslagen de lezer ‘twee zienswijzen op dezelfde man’ aanbiedt, ‘een verloren ziel die Joe Gould heette.’ Mitchell geeft hiermee te kennen dat een biografie nooit iets meer kan zijn dan een zienswijze, een van de vele mogelijke. Zelfs de accuraatste (auto)biografie betreft altijd een selectie uit een overvloed aan biografische gegevens en impliceert dus noodzakelijk een fictionalisering van de beschreven persoon. Het lijdt geen twijfel dat de meeste mensen het daarmee eens zullen zijn. Alleen nu net niet Joe. Want met de Mondelinge Geschiedenis streeft Joe naar de ultieme autobiografie. In plaats van een zienswijze op Joe’s leven, moet de Mondelinge Geschiedenis de enige echte en volledige waarheid over Joe reveleren.

De schilderes Alice Neel heeft Joe op dergelijke feestjes vaak geobserveerd. Op basis van haar waarnemingen maakte ze een portret van hem, waarop ze hem afbeeldt als iemand die iets exhibitionistisch in zich heeft.

Ik noem het [schilderij] “Joe Gould”, maar eigenlijk zou ik het “Een portret van een exhibitionist” moeten noemen. […] Ik wil niet zeggen dat Joe een exhibitionist was. Ik weet zeker dat hij dat niet was – in de strikte zin van het woord. Maar toch, eerlijk gezegd, kreeg ik jaren geleden als ik hem op feestjes gadesloeg altijd het gevoel dat er een oude exhibitionist in hem huisde die eruit probeerde te kruipen, als een spin die in een fles opgesloten zit.

Inderdaad heeft Joe iets weg van een exhibitionist. De lange, donkere exhibitionisten-mantel waarin hij rondloopt is de Mondelinge Geschiedenis en wat hij de wereld wil laten zien wanneer hij zijn jaspanden openslaat, is Joe Gould. Joe Gould is de diepste waarheid omtrent Joe: het is alles wat hij in zichzelf voelt broeien en waar de wereld dankzij de Mondelinge Geschiedenis spoedig mee zal kunnen kennismaken.

Maar alles wat de wereld ziet, als Joe zijn jas openslaat, is een pathetische aansteller. Er is niemand die de diepere betekenis van het revelerende ‘Skrie-iek!’ begrijpt, niemand die verstaat wat Joe’s excentrieke indianendansen willen zeggen, niemand die in de autobiografische flarden de gloed ziet die Joe zelf voortdurend verblindt. Met zijn onvermogen om zijn werk te voltooien laat Joe zien dat het verlangen naar ultieme zelfexpressie niet teruggaat op iets dat men bezit, maar op iets dat men net níet bezit: Joe is niet Joe Gould. Het enige wat hij in zich heeft, is het verlangen Joe Gould te worden – iemand die niet door zijn ouders zou worden afgewezen, iemand die de Mondelinge Geschiedenis zou kunnen schrijven. Daarmee toont Joe ons dat ultieme zelfexpressie een utopie is: ultieme zelfexpressie is het willen uitdrukken van niets, van wat men tekortkomt.

Dat is Joe’s geheim. Maar het is tevens het geheim van ieder mens. Dat wat ons het meest eigen is, is niet iets dat we bezitten, maar iets dat óns bezit. Het is ons zijnstekort – dat wat we nodig hebben om volkomen héél te zijn. Het is de schreeuw waarmee we anderen alles zouden willen uitleggen: ‘Skrie-iek!’ Maar tijdens de schreeuw reeds beseffen we dat er niets te zeggen valt. Waarover we niet kunnen spreken, moeten we zwijgen. In plaats van te willen grijpen en benoemen, moeten we leren loslaten. Niet zelf een meeuw willen zijn, maar wijzen naar de meeuw in de lucht. Er is altijd een kans dat anderen het dan ook zien, of er ten minste een glimp van opvangen.

Joe 2

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Essays, Filosofie, Literatuur. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s