Proloog van ‘Ik, mezelf en wij’

1

De inleiding. Het eerste dat u leest. Het laatste dat ik schrijf. Ik leun achterover en blik terug op de geleverde arbeid, terwijl ik me afvraag: hoe nu de lezer te ontvangen? Hoe hem of haar dit boek in te loodsen? Welke verwachtingen schep ik? Gun ik hem of haar al een blik op het geheel? En vooral, welke houding neem ik daarbij aan? Gedraag ik mij als een springerige gastheer die meteen toeters en bellen bovenhaalt, de champagne laat aanrukken en een rode loper uitrolt? Of eerder als een bedeesde jongeman die wat verveeld zit met de rol van gastheer en liever nog wat in zijn werkkamer was blijven zitten? Of, waarom niet, als iemand voor wie gasten ontvangen niets bijzonder is, een man van de wereld die het gewoon is te leven met de deuren van zijn bestaan wijd open?

Iedereen voelt aan dat hier een zekere arbitrariteit speelt. Er treedt een moment op waarop ik zal moeten kiezen – nu ongeveer -, wat impliceert dat niet vaststaat welke rol het zal halen. Ik heb nochtans een bepaald karakter: misschien ben ik van nature geen toeter- en bellenman. Toch kan ik, en zeker op papier, anders laten uitschijnen, ook voor mezelf. Ik herberg dus blijkbaar meerdere gastheren in mij, houterige en excentrieke types, maar evengoed flamboyante en goedlachse. Denk ik op dit ogenblik aan mezelf, dan zie ik een man die in de hal van zijn werk wat besluiteloos staat te dralen. Welke rol zal hij eens op zich nemen? De man trekt zijn jasje recht, wroet met zijn hand in zijn rechterzak, kijkt in de spiegel, mompelt in zichzelf dat het idioot is in de spiegel te kijken (een ijdele gedachte), probeert de linkerzak van zijn jasje uit, draait een rondje, zingt twee lijntjes van een lied dat door zijn hoofd spookt, draait opnieuw een rondje en weet ondertussen nog altijd niet op welke manier hij zijn gasten zal ontvangen – die in werkelijkheid al twee alineas lang gearriveerd zijn.

Welkom dus. In een boek dat handelt over precies die hal. De ruimte in onszelf die ons steeds blijft scheiden van onszelf. Die maakt dat we niet volkomen samenvallen met onze lichamelijke verschijning. Een ruimte die we ook zelfbewustzijn of geest kunnen noemen.

2

Dit boek bestaat uit vijf hoofdstukken, telkens van elkaar gescheiden door een interludium. Door ieder hoofdstuk op een luchtige manier te hercontextualiseren, of door er nieuwe, speelse perspectieven op te bieden, komen we ervan los en creëren we ruimte voor een volgende hoofdstuk. Op die manier vormen de interludia letterlijk een soort van centrale hal: iedere keer we naar een volgende hoofdstuk gaan, passeren we langs deze hal met bovenaan een grote glazen koepel waarlangs het licht van buiten invalt. Een ruimte van bezinking en bezinning.

We zeiden al dat we niet samenvallen met ons lichaam. We zijn een lichaam, maar we zijn ook iets dat zich ophoudt áchter dat lichaam. De hamvraag van dit boek is: wat is dit iets? Tot in de moderne tijd ging men ervan traditioneel uit dat dit iets onze ziel is. De ziel werd beschouwd als onze essentie, terwijl het lichaam werd gezien als slechts een tijdelijk omhulsel (in het ergste geval een gevangenis). In het eerste hoofdstuk laten we de intuïtieve plausibiliteit van dit antwoord zien. Maar daarnaast tonen we ook de problemen ervan en belichten hoe allerlei maatschappelijke veranderingen sinds het einde der middeleeuwen de geloofwaardigheid van de ziel geleidelijk aan onderuit hebben gehaald. In de achttiende eeuw leidde dit in Groot-Brittannië tot een ware intellectuele clash, waarvan we in het eerste interludium de ruimere context schetsen: zielbelievers en non-believers staan met in gal gedoopte pennen lijnrecht tegenover elkaar. Met de ziel staat er voor de believers ook een geloof in een goddelijke orde achter het lichaam van de ganse wereld op het spel.

In het tweede hoofdstuk volgen we de verdere kronkelingen van de geschetste breuklijn door aan te knopen bij de non-believers, die in het debat over de ziel steeds meer het hoogste woord gingen voeren. Volgens de non-believers bestaat er geen ziel en kan ons iets dus geen écht iets zijn: het moet een illusie zijn. Achter of onder de maalstroom van onze gedachten projecteren we graag een stabiel draagvlak dat we subject of persoon noemen. Maar volgens de non-believers is die schragende eenheid slechts inbeelding: we zijn op ieder moment een nieuw zelf. Onze overkoepelende persoonsinstantie is slechts wishful thinking, of een façon de parler.

We gaan hier dieper op in en laten zien dat het historische iets-debat ons met een valse keuze opzadelt: ook de overtuiging van de non-believers is inconsistent. We hoeven niet te kiezen tussen het Skylla van de ziel met haar onuitwisbare stempel op ons leven en het Charybdis van een kameleontisch bestaan zonder enige persoonlijke toets. Ook zonder ziel ervaren we onszelf als een en dezelfde persoon. In het tweede interludium wordt dit aan de hand van een aantal bekende films verder uitgewerkt. We volgen enkele beroemde karakters in hun existentiële twijfel, terwijl ze zich wanhopig afvragen hoe ze trouw kunnen blijven aan zichzelf, als ze helemaal geen voeling hebben met zo’n zelf. Moeten ze heel hun leven lang komedie blijven spelen? Doen alsof ze iemand zijn, terwijl ze het gevoel hebben niemand te zijn? We laten zien dat uit deze worsteling precies al een dieperliggende eenheid spreekt. Blijkbaar zijn we al in de greep van onszelf als eenheid, alvorens we aan die eenheid kunnen twijfelen. Het is maar omdat we al iemand zijn dat we ons kunnen afvragen wat voor iemand dat nu eigenlijk is. Onze persoonseenheid of ons iets is geen magische glazen bol die ons netjes weer- en voorspiegelt wie we zijn. Maar wel iets dat ons de mogelijkheid biedt daarnaar op zoek te gaan.

Onze iets-vraag wordt dus: als ons iets geen écht iets is (geen ziel), maar klaarblijkelijk wel voor eenheid zorgt en dus meer is dan een illusie die we zomaar kunnen doorprikken, wat voor iets is het dan? Als de gemartelde gevangene zijn beul verbeten toewerpt: mijn lichaam kun je krijgen, maar mij niet, wat bedoelt hij dan? Waarop doelt hij met die mij? Hoe komt het dat we onszelf als een identiek blijvend subject ervaren ‘áchter’ ons lichaam, als er noch achter, noch ergens in ons lichaam zo’n aanwijsbaar ik valt aan te treffen?

In hoofdstukken drie en vier laten we het vastgeroeste óf-óf denken van de eerste twee hoofdstukken definitief achter ons en maken plaats voor een derde weg – een andere manier van denken. Een denken in termen van ruimte. In tegenstelling tot de eerste twee hoofdstukken, waarin het lichaam louter een instrumentele rol mocht vervullen – een vervangbaar omhulsel of vehikel voor ons zelfbewustzijn -, laten we het lichaam nu een volwaardige rol spelen. We laten zien hoe ons lichaam samen met andere lichamen vanuit gedeelde representaties plaats kan vrijmaken in zichzelf – voor zichzelf. Een holte die zich kan vullen met sociale resonanties. De hal van onze geest of zelfbewustzijn vanwaaruit ons lichaam aan zichzelf verschijnbaar wordt als een lichaam waarin andere mensen onze persoon kunnen herkennen. Een lichaam dat we op die manier zowel terugwinnen – het wordt een aanwijsbaar teken, het wordt óns lichaam -, als verliezen – ons lichaam wordt ons eveneens vreemd, een ding. Ons lichaam neemt daarmee zowel een biologische (natuurlijke) als een symbolische (culturele) rol op zich, en we laten zien hoe deze twee rollen op een onontwarbare manier met elkaar verknoopt zijn.

Ook zonder een centrale hal zouden de verschillende kamers van een huis een huis vormen. Maar het zou een huis zijn dat verzonken blijft in zichzelf. De vensters van de kamers geven wel uitzicht op de buitenwereld, maar het huis ziet als het ware zichzelf nog niet vanuit de buitenwereld. Dat kan pas veranderen als er ruimte vrijkomt binnenin – een hal waardoor het buitenlicht centraal naar binnen kan vallen en zich van binnenuit kan verspreiden. Pas nu worden de verschillende kamers zichtbaar als kamers van een en hetzelfde huis. Iets dergelijks is het geval met onze persoonseenheid. Ons iets is in zekere zin écht iets: ons lichaam is écht, veel echter dan de ziel uit het klassieke antwoord (een immateriële substantie ten slotte). Maar tegelijkertijd kan dat iets van ons lichaam maar een symbool of teken van onze persoon worden, en op die manier voor eenheid zorgen, vanuit een niets – een ruimte die wordt vrijgemaakt door de symbolische rol die ons lichaam binnen de gemeenschap vervult.

De mens is een sociaal dier, het resultaat van een onbreekbaar verbond tussen natuur en cultuur. Met behulp van de begrippen utopische en werkelijke gemeenschap – die we introduceren in hoofdstuk vier – laten we in het laatste hoofdstuk zien hoe het komt dat de mens voortdurend in opstand komt tegen dat verbond, en dus ook tegen zichzelf en de gemeenschap. Steeds opnieuw willen we ons niets reduceren tot, of vastpinnen op, iets. We laten zien hoe dit kan ontsporen tot waanzin en fundamentalisme. En hoe een evenwicht maar kan bestaan in een houding van liefhebberij. We laten ook zien hoe dit verband houdt met het ontstaan van kunst en religie: ons menselijke verbond zadelt ons op met een eeuwige schuld – zondenval – maar schenkt ons tegelijkertijd de mogelijkheid de trappen van de hemel te beklimmen. Door op het werk van enkele bekende schrijvers in te gaan, tonen we dat het liefhebbersevenwicht altijd precair blijft. Het gevaar te vervallen in waanzin of fundamentalisme blijft om de hoek loeren. De mens blijft een gespleten wezen dat voortdurend zoekt naar een herstel van een verloren eenheid. In het laatste interludium spitten we dit verder uit aan de hand van Louis Paul Boons prachtige boek De Paradijsvogel.

3

Een boek schrijft men niet aan de toog. Toch is dit boek van begin tot eind één lang pleidooi voor toogfilosofie. Een filosofie van en voor iedereen. Een filosofie die wortelt in het echte leven. Die geen verschansing zoekt in vakterminologie. Geen extra muurtjes wil optrekken. Maar alles net wil opentrekken. Die op een bescheiden manier onbescheiden durft te zijn. Die het verschil laat bestaan vanuit de gelijkenis, en niet omgekeerd. Die begrijpt dat een taart eerst gebakken moet worden alvorens ze aangesneden en verdeeld kan worden.

Schrijven aan de toog is onbeleefd en bovendien tamelijk onmogelijk. Men heeft stilte nodig om te schrijven. Enkel vanuit de eigen stilte laat zich het lawaai van de toog horen. Dit boek schreef zich aanvankelijk als een dialoog met een vriend met wie ik tooghangend een denkbeeldige nacht te lijf ging. Een vriendschappelijke exercitie. Training in een schermspel van vraag en antwoord. Suggestie en uitweiding. Herneming en verbetering. Wat bedoel ik daar precies mee? Of dat vergelijkbaar is met? En of ik eerder niet het omgekeerde beweerde? Toogfilosofie dus. Een denken dat naar zichzelf tast. Op zoek naar de eigen vreemdheid. Een dialoog hangend tussen zichzelf als de ander en de ander als zichzelf. Een filosofie van en in vriendschap. Een zoektocht die altijd nog om een laatste glaasje vraagt.

Pas gaandeweg herschreef de tekst zich tot een doorlopende tekst. Maar ook dat herschrijven gebeurde niet aan de toog. Aan de toog dreigt nuance wel eens verward te worden met muggezifterij. Ik heb er alles aan gedaan om genuanceerd te blijven (zonder te vervallen in muggezifterij). Het mag geen ‘cafépraat’ worden. Maar wel heb ik gepoogd om op geen enkel moment de mentaliteit uit het oog te verliezen die men in het betere café aantreft. Een goed praatcafé is een plek waar mensen met een heel diverse achtergrond elkaar treffen om samen uit hun uiteenlopende dag te kruipen. Het Art Nouveau-glas van het drukke advocatenkantoor en het steriele matglas van de tandartsenpraktijk worden het klinkende glas van het gedeelde bier. Verschillende levens die in elkaar over schuimen. In vriendschap en wederzijdse zelfrelativering. Ik kan alleen maar hopen dat van dit werk eenzelfde geest uitgaat. En dat zeg ik niet alleen omdat ik zelf zo graag op café zit. Maar ook omdat ik me maar zeer moeilijk van de indruk kan ontdoen dat een beetje meer café, een beetje meer toog de wereld absoluut geen kater zou bezorgen. Ik geloof niet in wereldverbeteraars, nog minder in maatschappij-ingenieurs. Maar des te meer in het café waar die wereldverbeteraar en maatschappij-ingenieur elkaar ontmoeten. Het café, het meest democratische instituut op aarde.

In onze samenleving bestaan voldoende krachten die ons als burger uiteendrijven. We zijn allemaal klantenkoningen, zetelend in ons eigen snoeprijkje – allemaal netjes omzoomde en van elkaar afgebakende lusthofjes, steeds meer op maat gesneden van onze hoogstpersoonlijke noden en behoeften, werkelijke en vooral gecreëerde. Ook onze geglobaliseerde arbeidsmarkt vraagt om steeds meer differentiatie en specialisering: we worden steeds beter in steeds minder. Daarnaast worden we met zoveel tegenstrijdige informatie en analyses om de oren geslagen dat iedereen het gevoel heeft steeds onwetender te worden en meent er wijs aan te doen zijn mond te houden. In een tijdperk waarin er nog nooit zoveel kennis voorhanden is geweest, voelen we ons dommer dan ooit tevoren. Onze ambitie om overzicht en inzicht te verkrijgen hebben we samen met onze zuurverdiende diploma’s opgeborgen in de kluis, veilig bij de bank. Met een mengeling van onmacht en valse bescheidenheid doen we er het zwijgen toe en stellen iemand die naar verbanden zoekt tamelijk snel gelijk met een complotdenker. De heilige schrik ervan beschuldigd te worden ‘alles op een hoop te gooien’ zit er diep in bij ons. En terecht. Na de twintigste eeuw weten we allemaal hoe gevaarlijk het is om dingen ‘op een hoop te gooien’. Maar worden we niet ook zelf op een hoop gegooid als we ons door die angst volledig laten verlammen?

De hierboven geschetste krachten zijn zeker niet alle slecht op zich. Maar samen herbergen ze wel een gevaar, namelijk dat de ander vanuit onze steeds kleinere hokjes steeds meer anders begint te lijken. Ook dat is op zich niet slecht. Het is zelfs heel belangrijk dat we de ander niet reduceren tot een al te vertrouwd stereotype – dé Vrouw, dé Moslem… – en dat we de ander laten bestaan in zijn individualiteit en eigenheid, in plaats van hem op ‘een hoopje te gooien’. We moeten de vreemdheid van de ander respecteren. Hem laten bestaan in zijn verschil. Een anders-zijn waar we kennis over kunnen vergaren en veel van kunnen leren.

Het is fascinerend en prachtig om te leren hoe anders de ander is: om zijn andere gebruiken te leren kennen, zijn andere riten en talen en kleren en specerijen. Maar we moeten ook opletten dat het daar niet bij blijft. Want dan zijn we die verschillen aan het verabsoluteren en zijn we de schotten tussen onze hokjes aan het veranderen in Heilige Muren die echt het Verschil kunnen maken. Achter die Muren beginnen we dan een steeds exotischere Ander te projecteren (een Goede of een Slechte Ander, al naargelang), en zo’n Ander zegt vooral veel over onszelf, maar erg weinig over wat er achter die Muren echt leeft.

Ieder mens is anders. We zijn allemaal uniek en verlangen daarin erkend te worden. We willen niet dat men ons op een hoopje gooit – het hoopje van dé Vrouw, dé Moslem, of een ander hoopje halfbakken clichés. We willen dat men onze eigenheid respecteert. In die zin is het goed dat we de ander serieus nemen en zijn andersheid respecteren. Maar we willen ons ook begrepen weten. We willen niet de exotische Ander zijn waarmee niemand zich verbonden kan voelen. Niemand wordt graag voor een Curieus Specimen versleten. Geen enkele vrouw heeft nood aan een man (of andere vrouw) die constant een Groot Ondoordringbaar Mysterie in haar ziet. We willen anders dan de anderen zijn, uniek, maar toch ook serieus genomen worden als gelijke. We moeten de ander dus niet boven of onder ons plaatsen door er een bewonderenswaardige of verwerpelijke Ander van te maken. We moeten de ander naast ons plaatsen en over onze schotten heen in de ander ook onszelf durven herkennen. Pas dan respecteren we echt zijn of haar anders-zijn.

Bij de Grieken bestond vroeger een mooi gebruik. Als twee vrienden voor lange tijd uiteengingen, spleten ze een steen of stok in twee en gaven elkaar de andere helft mee. Herkenning later tussen henzelf, hun kinderen of verwanten kon dan gebeuren op basis van de geslaagde vereniging van de twee helften. Daar komt het woord symbool vandaan, van het Griekse zelfstandige naamwoord ‘sym-bolon’ (teken, kenteken, herkenningsteken) en het werkwoord ‘symballoo’ (ontmoeten, bijeenbrengen of vergelijken). Onze symbolen, riten, gebruiken en talen zijn verschillende manieren om vorm te geven aan het niets dat we met elkaar delen. We moeten in elkaars verschillen de onderliggende gelijkenis blijven herkennen. De afzonderlijke helften die de vrienden met zich meedragen, zijn verschillend. Maar het zijn wel helften van een en dezelfde tak of steen. Wie zweert bij het verschil en weigert de steen weer heel te laten worden, gedraagt zich als een dia-bolos, iemand die uiteendrijft en die splitst wat eigenlijk één is.

Toogfilosofie wil dus zeker niet zeggen: alles op een hoop gooien. Dit boek maakt juist plaats voor verschillen, maar wel vanuit een zoektocht naar de diepere gelijkenis waar die verschillen van spreken – ons gedeelde menszijn. Wat ons tot mens maakt, is geen duidelijk aanwijsbaar Iets. Als we daarnaar zouden zoeken, zouden we ons opnieuw vastklampen aan een of ander Verschil (dat we dan willekeurig tussen ons en andere dieren of wezens zouden kunnen plaatsen). Dit boek wil eerder het niets aftasten vanwaaruit onze verschillende ietsen maar eerst beginnen te be-tekenen.

Idealiter leest u dit boek dan ook als een cafégesprek dat u aangaat met een intieme vriend. Een gesprek waarbij vanuit een gedeeld enthousiasme, gezucht, gelach, gehuil steeds meer ruimte ontstaat voor het miraculeuze, grandioze maar tevens geheel nietszeggende besef dat zowel jij als die vriend beiden deel uitmaken van een en hetzelfde menselijke universum.

4

Misschien werd dit hele boek geboren vanuit een lach. Vanuit een grap, die ik zekere avond als puber aan mezelf vertelde. Een grap die iemand mij eerder die dag had verteld en die ik die avond in bed al minstens vijf keer voor mezelf had herhaald. Nog eens en nog eens, als een lintje waar men mee speelt en dat men nu eens dicht krult en dan weer open vouwt. Open en dicht. Open en dicht. Op zoek naar de perfecte intonatie en timing. De juiste brekingshoek voor de pointe. Voor de zesde of zevende keer wek ik Jantje en zijn trawanten uit mijn slaperige gedachten. Woord voor woord laat ik de grap opnieuw het duister inrollen, het licht van de clou tegemoet. Een grap die mij niets gaat leren, niets nieuws laten zien. Voor de zesde of zevende keer. De woorden doorhangend onder het eigen gewicht. Maar die mij toch opnieuw doorheen de tunnel van zichzelf persen. Om mij op het eind opnieuw enig licht te laten zien. De zesde of zevende keer. En weer kom ik niet bij van het lachen.

Een vraag die men zich kan stellen is hoe het mogelijk is dat iemand moet lachen om een grap die hij al kent. Waarom wil men een grap per se zes à zeven keer voor zichzelf in het donker herhalen? Iedere goede vraag priemt een gaatje in de volheid van het bestaan. Misschien is dit boek wel begonnen als een routineklus. Het dichten van een gaatje in een van mijn mentale leidingen. Standaardprocedure. Tot het gaatje zichzelf geleidelijk aan begon op te blazen met allerlei nieuwe en verwante kwesties, urgente en vooral veel minder urgente. Tot rampgebied ben ik vooralsnog niet uitgeroepen: de schade is ernstig, onoverzienlijk, maar al bij al erg goed leefbaar. Op een gegeven moment berust een mens. Aanvaardt dat de holte binnenin steeds groter wordt. Almaar aanzwelt. Soms in stilte, dan weer met veel bombarie. Soms met tandengeknars, dan weer met veel vreugde.

Dit boek heeft mij veel doen meemaken. Mij op wonderbaarlijke plekken gebracht. Mij fascinerende mensen doen leren kennen en andere mensen doen herwaarderen. Mij een doctoraat doen schrijven. Mij in dialoog doen treden met geweldige professoren, een schitterende promotor en heel veel stimulerende doctorandi en postdoctorandi (reparatieteams genoeg). Mij bovendien innige vriendschappen doen smeden, banden voor het leven. Al die plaatsen en mensen ben ik ontzettend dankbaar: hun namen zullen binnenin altijd luid blijven weergalmen – te luid voor de stilte van dit papier.

De vraag of ik inmiddels een antwoord op mijn puberale vraag heb gevonden is misschien niet erg relevant. Als men een filosofische vraag voorgoed denkt te kunnen beantwoorden, is de kans groot dat men de vraag niet goed heeft begrepen. Het gaat niet om het vinden van antwoorden, maar om het creëren van ruimtes vanwaaruit zich antwoorden kunnen aandienen. Zo’n ruimte, opnieuw, is dit boek. Wie dit boek aandachtig leest en er ruimte voor maakt in zichzelf, zal er ook een antwoord in vinden op de gestelde vraag. Maar het zal geen antwoord zijn waarmee men de vraag voorgoed kan ‘dichten’. Het antwoord zal eerder opnieuw worden opgeslokt door de vraag. Tot u via de vraag opnieuw toegang krijgt tot de vrijgemaakte ruimte in uzelf, zodat u vandaaruit opnieuw een echo van een antwoord zal kunnen opvangen. Hetzelfde antwoord – en toch weer anders.

Dezelfde grap – en toch weer anders.

Dezelfde rol. Iedere keer zich een nieuwe lezer aankondigt, verwelkom ik hem op dezelfde manier. Ik sta in de hal van dit werk en trek mijn jasje recht, wroet met mijn hand in mijn rechterzak, kijk in de spiegel, mompel in mezelf dat het idioot is in de spiegel te kijken (terwijl ik bedenk dat dat een ijdele gedachte is), probeer de linkerzak van mijn jasje uit, draai een rondje, zing twee lijntjes van een lied dat door mijn hoofd spookt en draai opnieuw een rondje. Intussen weet ik dat dat mijn rol is. Het is iedere keer dezelfde rol.

Dezelfde rol – en toch weer anders. Want iedere lezer schenkt mij dezelfde rol op een nieuwe manier. Welkom dus.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Filosofie. Bookmark de permalink .

Een reactie op Proloog van ‘Ik, mezelf en wij’

  1. Carwash zegt:

    Ik heb zowel het interludium als de proloog gelezen. Heel fris geschreven voor een iets complexere thematiek. Het bevat een eigenheid, zeker als je de auteur in persoon kent. Joe Gould 4life

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s