Onderweg 1 (brief/dagboekfragment, laatste dag van mijn fietsreis doorheen Engeland en Schotland)

Ik zit in de keuken van een klassiek Georgian herenhuis in wat men de New Town van Edinburgh noemt, een upper-class, residentiële wijk waar de halvemaanvormige tuinen en woonresidenties nog steeds fier de namen dragen van hun voormalige grootlandeigenaars. Eveneens present in de keuken zijn Ewan en Bruce, een schattig, ouder homokoppel, dat druk vanalles aan het bespreken is met de klusjesman. Er zijn werken aan de gang in het huis — ‘in the interest of progress,’ stipt Ewan op zijn gentlemanlike toontje aan — en het is een leuk komen en gaan van allerlei werklui en pakketjesbezorgers, ook al is de ‘plasterer’ die deze ochtend zou arriveren tussen 07.37 (sic!) en 10.37 nog altijd niet komen opdagen, wat het koppel toch een zichtbare stress bezorgt. Nu en dan komt ook ene Timmy (of Tommy) binnengewaaid, een jongensachtige vijftiger die een kamer naast de mijne huurt en die zweert bij korte broeken en strakke polootjes (een vaste klant bij Marks & Spencer, waar ik gisteren zelf even binnensprong voor een nieuwe — lange — broek, een onderneming waarbij ik hopeloos verdwaalde en net op tijd gered werd door een lieve dame, die me kalm doch kordaat naar de uitgang loodste, een kilometerslange tocht, leek het, waarop ik geen enkel spoor van mannelijke presentie mocht gewaarworden en ik me alleen maar omgeven wist door beha’s, rokjes en parfums).
Al een uur lang zijn Ewan en Bruce afscheid van me aan het nemen, want om twaalf uur vertrek ik met mijn fiets in een kartonnen doos onder de arm naar de luchthaven en Ewan en Bruce moeten naar de ‘florist’: Bruce is verantwoordelijk voor het bloemenarrangement op het huwelijk van een van hun vrienden en er moet DRINGEND een duchtig woordje gesproken worden met de bloemleverancier. ‘Want, zie je,’ legt Bruce me uit in zijn ietwat pedante BBC-Engels: ‘Maar al te vaak overleven de bloemarrangementen op zo’n huwelijken niet eens de receptie. De gasten zitten er met hun tengels aan of, erger nog, zetten de bloemen doodleuk ergens anders. Zoiets moeten we koste wat het kost vermijden en daarom is het van het allergrootste belang de gasten te imponeren, nee, wat zeg ik: te intimideren! De bloemarrangementen moeten de hele ruimte inpalmen en domineren, ja, alles moet baden in hun geuren en kleuren. Ze moeten zo oppermachtig aanwezig zijn dat niemand het zelfs maar in zijn hoofd zal halen er aan te ruiken. Begrijp je?’

Terwijl Timmy (of Tommy) voor de derde keer zijn hoofd in het deurgat steekt en me vraagt of ik alles heb wat ik nodig heb en ik voor de derde keer de duimen in de lucht steek, vraagt Ewan wat ik van zijn nieuwe kapsel vind: hij is die ochtend voor dag en dauw naar de kapper gegaan. Ik zeg hem eerlijk dat ik geen verschil opmerk. Hij is niet verontwaardigd, zoals ik eventjes gevreesd had. ‘Geen verschil, hé,’ zegt hij, terwijl hij filosofisch in de verte begint te staren. ‘Now I am wondering whether that is good or bad.’ Ik help hem uit wat een zwart gat dreigt te worden en zeg hem dat als ik nachtmerries heb daar meestal een kapper in figureert en dat ik me vreselijk onvolwassen voel iedere keer ik er vandaan kom, alsof een boze tovenaar me terug mijn jeugd heeft ingejaagd. ‘O dear,’ onderbreekt hij me onthutst: ‘You have it all wrong: going to the hairdresser’s is just one of the greatest experiences on earth.’ En hij jaagt me lichte angst aan als hij me heel precies uit de doeken doet hoe geweldig hij het vindt vreemde handen door zijn haar te voelen woelen, wat hij illustreert met de nodige luchthandgebaren en babygezichtjes…

Over naar de luchthaven, want na een halfuur-lange tramrit is dat waar ik me nu bevind. Soms onderga ik het hele incheckgebeuren als aangenaam, alsof ik al half door de lucht zweef. Maar vandaag zweef ik allerminst en vind ik het vreselijk. Ik wil niemand ergeren met mijn duizend-en-één mini-ergernissen. Ze zijn ook onbelangrijk en zeggen allicht meer over mij dan over de dingen of mensen waaraan ik me erger (je ooit geërgerd bijvoorbeeld aan de stoomturbineachtige handdrogers in openbare toiletten? Of aan het feit dat van zodra er één persoon rechtstaat om zich te posteren aan de nog lang niet geopende gate hij meteen een honderdtal ‘volgelingen’ krijgt? Vlak voor me, in de rij der ‘gelovigen’, staat een man te telefoneren met een hand voor zijn mond, een nieuwe gewoonte, heb ik gemerkt, die in felle opmars is en die is ontstaan nadat enkele voetbaltrainers deze ritus van aan de witte zijlijn hebben geïntroduceerd…) Deze ergernissen onthullen in feite maar één ding, namelijk dat ik een beetje moe ben, al is het misschien meer dan dat. Plots een pak minder endorfines en een lichaam dat al wekenlang aan het broeden is op muiterij. Het is mogelijk een beetje zoals met examens: zolang het moet, kan je rustig doorgaan en laat je de vermoeidheid moeiteloos van je afglijden. Maar eenmaal dat laatste examen is afgelegd en je eindelijk tijd hebt om al die andere dingen te doen die je zolang uitstelde en waar je zo hard naar uitkeek, spreekt je lichaam haar lang voorbereide veto uit. Na een lange fietsreis komt daar nog het verhaal van de endorfines bij (en misschien nog wel heel andere verhalen, waar ik geen weet van heb). Mijn voorlaatste gastheer was een kankerspecialist en hij wist me te vertellen dat het sterk lijkt, maar dan minder intens, op wat een afkickende heroïneverslaafde doormaakt — cold turkey.

Goed, de gate is inmiddels zo goed als verlaten: ik moest maar eens gaan… er wacht een vlucht op me.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s