Fietsreisbrief vanuit de Highlands

Een brief schrijven op een grote overzetboot — voor alles een eerste keer. We drijven weg van Lewis, een van de ‘buitenste’ Hebrideneilanden, en schuiven op naar het… vasteland, wilde ik schrijven, maar dat klopt dus niet. Naar het grotere eiland, is dat wel juist? Maar als Engeland en Schotland niet gelden als vasteland, waarom zou Europa dan wél gelden als vasteland? Toegegeven, het is wat groter, maar drijven doet het evenzeer. Iemand vertelde me gisteren dat het eiland waarop ik eerder fietste, Skye, vroeger bij Newfoundland hoorde: de grondgesteenten zouden dezelfde zijn… Het eiland moet op drift zijn geraakt, het rukte zich los van het grotere ‘New-‘ of dus ‘Oudfoundland’ en ging haar eigen koers. Skyexit

‘In de jaren veertig en vijftig woonde hier bij ons in de hoofdstad een ziener, een man with the second sight.’ Ik luister naar mijn gastheer op Skye, Kerr, een twintiger die net zijn studies Gaelic culture afrondde en in de vakantie als bijverdienste doedelzak speelt voor toeristen. ‘De man is intussen al een tijdje dood, maar lokaal geniet hij nog altijd veel aanzien, vooral omdat hij ooit moet hebben voorspeld dat het eiland spoedig verenigd zou worden met het vasteland.’
Ik was op Skye gearriveerd met een kleine overzetboot, samen met een vijftiental andere mensen. Op de boot stonden welgeteld zes auto’s. Dat wordt fijn, had ik me op het water zitten verkneukelen: enkele dagen zonder auto’s! Dat bleek tegen te vallen: de zware zeventig kilometer die me die late namiddag nog restten naar mijn gastheer werd ik de hele tijd geëscorteerd door een stoet van doodrijders. Ik kon het niet geloven, ik bedoel: waar kwamen al die wagens vandaan? Je kon moeilijk beweren dat ze hier aan de bomen groeiden, want bomen zijn op het eiland nauwelijks te vinden (sinds ze enkele honderden jaren eerder allemaal waren gekapt voor de ijzerovens van het vasteland). Kerr lachte, toen ik hem mijn vraag omtrent de wagens voorlegde. ‘De brug, Greg, weet je dan niet dat er sinds eind jaren negentig een brug is naar het vasteland?’ Het was toen dat hij me dat verhaal van die ziener vertelde: met de brug was ook ‘s mans meest raadselachtige voorspelling uitgekomen… Lees verder

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De heilige graal

Ik heb zin om een verhaal te vertellen. Echt gebeurd… echt gebeurd… echt gebeurd…

Ik fietste die dag in de Aude, niet ver van de Ariège. Ik had er al een mooie halve dag op zitten, toen ik aankwam in een klein dorpje, Espezel, waar zich twee mogelijkheden aanboden: ofwel zou ik de baan blijven volgen en doorrijden tot in een stadje waarvan de naam me nu even wil ontsnappen, ofwel zou ik rechts afdraaien en naar Montségur klimmen – het legendarische Katharenkasteel. Ik ben niet goed in het maken van keuzes… ik stel ze meestal uit. Maar goed, er moest nu eenmaal worden gefietst, en het enige dat je dan kan doen is informatie inwinnen. Vragen aan de locals welke route zij zouden aanraden, etc… En dus reed ik op een gegeven moment het erf op van een afgelegen huis… Ik zeg huis, maar het leek eerder op een vervallen garage met enkele aanbouwtjes ernaast… Ik zag er echter beweging en stapte dus van mijn fiets en liep het erf op. Enkele tientallen meters verder zag ik een labrador aan een paal hangen, en twee meisjes van een jaar of zestien, die met enige bezorgdheid naar het dier keken… Ik lachte naar ze en stak mijn hand op, maar ze reageerden nauwelijks, ze schreeuwden enkel in de richting van de garage, naar hun moeder, nam ik aan… Dat bleek een dikke, oude vrouw te zijn, die spoedig uit de garage kwam gewaggeld… Ik vroeg haar eerst naar water – iets wat ik intussen wel had geleerd: als je de kans krijgt, vraag dan altijd naar water, je drankbussen moeten altijd zo vol mogelijk zitten… Ze gebood een van haar dochters mijn bussen te vullen, en dacht daarna na over mijn vraag… Maar in plaats van antwoord te geven, vroeg ze me of ik graag wilde kennismaken met de grootste schat van de Pyreneeën… Ik begon wat te lachen en gaf aan dat ik in de eerste plaats geïnteresseerd was in de schatten der natuur… ‘Goed,’ zei ze, ‘dan ben je op het juiste adres. Ik ga je iets unieks laten zien. Daar,’ – en ze wees op een aftands tuinhok – ‘daar binnen vind je de grootste verzameling oude Pyreneeëngesteenten en mineralen die er op deze planeet bestaat… Mijn naam is Genevieve Cartier en er zijn hier wereldberoemde paleontologen, professoren en zelfs astronauten over de vloer geweest… Vraag hen naar mij, en ja, ze zullen me allemaal kennen, nogmaals, ik ben Genevieve Cartier, maar jij mag gerust Genevieve zeggen, hoor, ik vind je een lieve jongen… Welkom! Zelf,’ ging ze verder, ‘heb ik niet gestudeerd. Ik heb dat ook niet nodig. Ik heb er gewoon een neus voor, ik en mijn man zaliger… Ik wandel hier rond en vind de vreemdste dingen… Ik voel het gewoon,’ zei ze, ‘ik zie een steen en het is alsof die stenen met mij communiceren, ze willen gewoon dat ik ze opraap… Later komt er dan zo’n professor langs en die valt steil achterover, want dat blijkt dan een van de zeldzaamste stenen ooit te zijn… Ooit een versteende dinosaurussendrol gezien? Nee? Wel, kom, volg me, ik geef je een rondleiding. Ik ga je laten kennismaken met de mooiste fossielen, meteorieten ooit… en ja, ook met die drol…’

In het tuinhok was erg weinig licht. Het hok stond volgestouwd met uitstalkastjes. Waar ik ook keek, niets dan stenen, in alle kleuren, fonkelingen en formaten. Ik moet bekennen dat ik nooit wat heb gehad met gesteentes en mineralen, ik ken er gewoon niets van… Maar toen Geneviève me de zoveelste meteoriet in handen drukte, me diep in de ogen keek en me bezweerde dat ik nu een steen in handen hield van minstens 70 miljoen jaar oud, afkomstig van een of andere passerende komeet of een uit zijn baan geraakte asteroïde, kreeg ik toch wel een brok in de keel. Ook de versteende dinosaurussendrol mocht ik even vasthouden. Ze begon me vol vuur te vertellen over een mastodontische fossiel die ze had gevonden samen met haar man – de steen was van de berg gerold, tot vlak voor de wielen van hun wagen, ‘ja, de steen wilde gewoon gevonden worden, begrijp je?!’ – toen een van haar dochters het hok instormde… Het meisje was volledig overstuur. Ze zag me nauwelijks staan en riep in tranen tegen haar moeder uit dat de hond zomaar in het volle zonlicht was overleden…

Ik zal dat moment nooit vergeten. Genevieve had me terloops al gemeld dat haar negenjarige hond onlangs een beroerte had gekregen. Dat hij normaal alleen nog maar binnen bleef, maar dat hij die dag vreemd genoeg was ontsnapt naar buiten… Ze had het gevoel gehad dat er iets niet in de haak was, en had hem daarom maar buiten gelaten, maar had hem wel aan de ketting laten hangen…

Er verschenen onmiddellijk tranen in Genevieves ogen… Ze stamelde wat over de hond, dat het al die jaren zo’n trouw beest was geweest, dat ie altijd samen met hen op jacht was gegaan en dat ze nog nooit zo’n ‘menselijk beest’ had gekend… ‘Hij kon zo mooi lachen…’ ‘Sorry,’ zei ze, toen ze haar tranen niet langer kon bedwingen…. Ik omhelsde haar en zei haar dat ze naar haar hond moest toegaan – vanuit mijn ooghoek had ik gezien dat het dier nog niet helemaal dood was, maar nog wat lag te stuiptrekken (ik had zelf tranen in mijn ogen, ik voelde hoeveel pijn het Genevieve en haar dochters deed). ‘Ga,’ zei ik, ‘je hond heeft je nodig.’ Ze bleef zich maar excuseren… En ik dacht in mezelf: waarvoor? Voor die fuckin’ stenen die me eigenlijk geen zier interesseren? Kom, ga nou gewoon naar je hond, het dier heeft je nodig… Maar ze kon het gewoon niet… Ik was uit vriendelijkheid meegegaan naar dat tuinhok van haar, en ook wel een tikkeltje uit interesse, maar uiteindelijk, wat konden mij die stenen schelen? Maar ik was haar gast, en ik was haar hoogstpersoonlijke tuin van eden binnengestapt… en zelfs die hond van haar, waar ze zielsveel van hield, kon haar niet van haar gidsfunctie losrukken… Ik stond aan de grond genageld… ‘Ga!’ bleef ik almaar vergeefs herhalen: ‘Ga, je hond…’ Maar ze bleef enkel maar in het wilde weg murmelen over die en die steen, terwijl ze intussen haar hond bleef prijzen… ‘zo’n braaf beest’, ‘nooit iemand kwaad gedaan…’. Ook begon ik lucht te krijgen van een verdoken familiedrama: ‘Ach ja,het is natuurlijk altijd mama’s fout, hé… ja, weet je, ik kan nooit iets goed doen, begrijp je? Zie je dat nou? Zie je dat? Nou, het is het braafste beest dat ik ooit heb gekend…’ Ik kon mezelf niet meer inhouden en begon ook tranen met tuiten te huilen, terwijl ik de zoveelste meteoriet in mijn handen hield… 80 Miljoen jaar versteende geschiedenis in mijn handen, en voor mijn ogen speelde zich dit familiedrama af, al dit nog magmatische leed… En met tranen in mijn ogen beval ik Genevieve om alsjeblieft nu, en wel nu meteen!, naar die hond van haar toe te gaan: ‘je zal er later spijt van krijgen als je het niet doet,’ zei ik haar… En toen, eindelijk, verliet ze me, en liet me alleen met die miljoenen jaren oude versteende onverschilligheid om me heen… Ja, ik geloof dat ik zelden zo hard heb gehuild als toen….

Vijf minuten later echter was ze al terug…. Of ik haar ‘gouden boek’ wilde tekenen. ‘Gouden boek?’ Ja, en tussen haar tranen door begon ze me uit de doeken te doen welke bekende personen er haar gastenboek eerder hadden getekend… Met mijn tanden op elkaar geknarst heb ik enkele lieve regels in haar ‘gouden boek’ geschreven. Daarna heb ik haar omhelsd en na haar te hebben bedankt voor de fantastische rondleiding en voor het water, ben ik naar Montségur gefietst, waar de vermeende grootste schat van de Katharen nog ergens verscholen moet liggen… Ja, volgens sommigen zou de Heilige Graal er ergens begraven liggen – dé ‘grootste schat van de Pyreneeën’.

Je zou willen dat ik het allemaal verzonnen had, maar dat is niet zo…

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Hup. 10

‘Of je nu over Newfoundland vliegt of bij het vallen van de nacht over het van Boston tot Philadelphia reikende gewemel van lichtjes, over de als paarlemoer schitterende woestijnen van Arabië, over het Ruhrgebied of de omgeving van Frankfurt, het is altijd alsof er geen mensen zijn, alsof alleen datgene er is wat zij geschapen hebben en waarin ze zich verbergen. Je ziet hun woonplaatsen en de wegen die hen verbinden, je ziet de rook die opstijgt uit hun behuizingen en hun produktieplaatsen, je ziet de voertuigen waarin ze zitten, maar de mensen zelf zie je niet. En toch zijn ze overal aanwezig op het aangezicht van de aarde, breiden ze zich ieder verder uit, bewegen ze zich door de raten van hoog oprijzende torens en zitten ze in toenemende mate gevangen in netwerken zo gecompliceerd dat het ieders voorstellingsvermogen ver te boven gaat, hetzij zoals vroeger tussen duizenden kabels en lieren in de diamantmijnen van Zuid-Afrika, hetzij zoals tegenwoordig in de zonder ophouden rond de aardbol golvende informatiestroom in de kantoorhallen van beurzen en nieuwsagentschappen. Als we onszelf vanuit een dergelijke hoogte bekijken, is het verschrikkelijk hoe weinig we weten van onszelf, van ons doel en ons einde, dacht ik toen we de kust achter ons lieten en aan de vlucht over de drilgroene zee begonnen.’ (‘De ringen van Saturnus’, W. G. Sebald)

Geplaatst in Hupomnēmata | Een reactie plaatsen

Nieuw project ism Het Zoekend Hert (en Dimitri Goossens en Tinneke Beeckman)

lezing zoeken hert

Afbeelding | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

Fragment uit ‘(Het witte boek)’

Op mijn eerste avond in Berlijn rookte ik voor het eerst in mijn leven een sigaret. Trage halen die me aan het duizelen brachten. Me zowel zwaarder als lichter maakten. Ik was een man in een miljoenenstad. Eén gloeiend stipje onder een hemel die laag boven de daken hing en toch niet beklemde. Een hemel die geen betrokken partij was maar wel begaan was met het lot van de stad. Onthield wat hier allemaal gebeurd was. Collectief geheugen vormde voor iedereen die hier kwam en ging.

Ik zat op een oude tuinstoel. Vanop mijn overdekte balkon, vijf hoog, had ik een goed zicht op de verlichte huizenblokken om mij heen, een bakstenen enclave rond een pleintje met een kleine kinderspeeltuin. Een gezapige, burgerlijke buurt. Gentrificatie, maar niet op een storende manier. Op mijn wandeling eerder die dag was ik een tiental crèches gepasseerd. In een van de crèches, door het raam, had ik vijf jonge moeders zien opgaan in het inkleuren van een smurfentekening. Samenzweerderig gaven ze elkaar stiften en potloden door, terwijl achter hen drie andere moeders elkaar probeerden te raken met een Mickey Mouseballon. De kinderen zaten bijeen in een hoek en keken zwijgzaam toe. Niet beteuterd. Eerder begripvol.

De sigaret had klaargelegen in het midden van mijn bureau, met ernaast een aansteker. Rook mij. Toen ik de sigaret na een luttele aarzeling opstak, leek het alsof ik nooit anders had gedaan: met de eerste rook blies ik meteen dezelfde betekenissen uit als alle andere rokers op aarde, beginner of verstokte kettingroker.

Mensenroedel, wolvenwoede. Onherbergzame planeet. Hoop doet leven, maar vooral veel pijn. In the end we’re all alone. Ik weet dat en probeer dat te aanvaarden. Ja, ik probeer het zo hard te aanvaarden dat ik doe alsof ik op het leven neerkijk door reeds mijn wissel op de dood te trekken. Beschadigd raak ik toch. Maar ik ben onafhankelijk en roep die schade liever over mezelf af dan braaf te wachten tot anderen dat voor mij doen — mijn geliefde, mijn arts. 

Roken brengt uw gezondheid ernstige schade toe — een briljantere reclamecampagne had de tabakslobby zich niet kunnen dromen.

De roker die kortstondig zijn eigen dampkring creëert. Even geen vreemde lucht meer inademt, enkel de dodelijke stoffen waarvoor hij zelf koos. Eigen grond om op te staan. Autonomie. Karakter. Persoonlijkheid. 

De sigaret als torch of freedom — slogan waarmee de Amerikaanse tabaksindustrie er in 1929 dankzij de neef van Sigmund Freud, Edward Bernays, in slaagde voortaan ook vrouwen op de knieën te krijgen voor dit fallussymbool bij uitstek. Neem je vrijheid in eigen handen en kies zelf waardoor je je laat ketenen — de idealen van de Verlichting die definitief overgaan in reclame. Neonverlichting worden. 

Aan de overkant achter de daken waaide een zwart zeil op, donkerder dan de nacht, terwijl in de verte een vliegtuig zich opmaakte voor de landing. Een van de twee luchthavens ligt dus dáár, wist de geograaf in mijn hoofd me te vertellen. Alleen miste hij verdere referentiepunten om te weten waar dat was, dáár, en hij raadde me aan de volgende dag een stadsplannetje te kopen. Veel zou me duidelijk worden.

Het zwarte zeil likte opnieuw aan de hemel en ik dacht aan mijn reis van de voorbije nacht. De Eurolinesbus. Materiële noodzaak voor de zwarte. Spirituele zelfkastijding voor de blanke. Het type dat met fonkelende ogen laat weten dat er het komende jaar niet zal worden geskied en iedere week devoot naar de Aldi fietst. Naast mij in de bus had een Parisienne gezeten. Een bedevaardster uitgerust met ipod en kauwgum. Waarom ze naar Berlijn ging? ‘Levim,’ antwoordde ze kort, terwijl ze haar ogen eerbiedig liet zakken en op haar ipod een volgend nummertje selecteerde. Levim, l’ evim, lev im. Ik knikte, maar pas nu drong tot me door wat ze bedoeld moest hebben. Ze studeerde film, had ze me verteld, en kwam naar de stad om het oeuvre van regisseur Wim Wenders te bestuderen. Wim Wenders — in bepaalde Franse kringen beter bekend als ‘le Vim.’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Mijn deelname aan de 55-woorden wedstrijd van Radio 1 (schrijf een verhaal dat uit max 55 woorden bestaat)

524SLECHT NIEUWS

Uitgeput zakt ze neer op het terrasje van het ziekenhuis. Het oude koppel naast haar wijst glunderend op haar dikke buik, vraagt voor wanneer het is en weidt fier uit over het zopas geboren kleinkind. Glimlachend hoort ze het aan. Tot ze mij ziet, haar man, en haar glimlach overgaat in tranen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Korte synopsis ‘(Het witte boek)’

foto binnenkant blue album

Anthony Bouwer, een jonge doctor in de filosofie, krijgt te horen dat zijn tweelingbroer Gilles, na zijn beruchte en fel gemediatiseerde hongerstaking (vóór het recht op liefde en tégen het besluit van zijn Afghaanse vriendin een punt achter hun relatie te zetten) en na zijn vlucht uit het verstikkende Vlaanderen (‘waar hij niet meer kan ademen’), dood werd teruggevonden in het Fläming-natuurgebied nabij Berlijn. Detail: Gilles pleegde zelfmoord in dezelfde extravagante space-outfit waarmee veertien jaar eerder negenendertig leden van de Amerikaanse sekte Heaven’s Gate hun tijdelijke verblijfplaats op aarde verruilden voor hun ‘échte thuis in de ruimte’. Gilles laat Anthony een houten doosje na met daarin een menselijke tand en zijn zelfgeschreven ‘filosofische testament’.

Van ene Stephan Klaus — of is het Klaus Stephan? — verneemt Anthony enkele dagen na de begrafenis dat de tand van John Lennon is en dat Gilles hem stal van Stephan Klaus’ baas, de 75-jarige excentrieke Diederich Papadopoulos, een half Griekse, half Duitse magnaat die tot de rijkste mensen van Europa behoort en die zich de woede van zijn moederland op de hals heeft gehaald met zijn recente financiële steun aan zijn vaderland. Diederich woont incognito in Berlijn, waar hij vaak ronddoolt in de bizarste vermommingen — over het algemeen twintigste-eeuwse iconen. Als hij op een van zijn tochten, verkleed als Lennon, de radeloze Gilles ontmoet, ontfermt hij zich over de vertwijfelde Lennonfan en verschaft hem onderdak in zijn riante woonst annex museum vol hebbedingen en relikwieën van twintigste-eeuwse sterren.

Anthony besluit de starheid van zijn academische job en de niets of niemand ontziende opdringerigheid van de journalisten achter zich te laten en in te gaan op Stephan Klaus’ uitnodiging naar Berlijn te komen om Diederich Papadopoulos de gestolen Lennontand persoonlijk terug te bezorgen.

Het hele verhaal wordt verteld door Anthony vanuit Chicago enkele maanden na het Berlijnse bezoek, met naast zich op de schrijftafel de Lennontand van Diederich Papadopoulos. In Chicago heeft Anthony een éénjarig universiteitsmandaat verkregen om te doceren en te schrijven rond The Beatles and Philosophy. Terwijl hij luistert naar het Beatlesoeuvre ziet Anthony zijn hele leven opnieuw passeren en komt er in zijn lichaam eindelijk ruimte en stilte vrij voor zijn eigen verhaal. Dat is het verhaal dat hierboven werd geschetst, aangevuld nog met een fragmentair overzicht van Gilles’ en Anthony’s verleden. Als hun ouders omkomen in een auto-ongeluk (waar enkel de vijfjarige Gilles bij aanwezig was), worden Anthony en Gilles in verschillende pleeggezinnen geplaatst. Uiterlijk blijven ze op elkaar lijken, maar innerlijk zweven ze voortaan als onbereikbare tegenpolen om elkaar heen. Anthony wordt een rustige, beschouwende maar ook licht afstandelijke intellectueel die te lief is om het leven een richting op te leggen. Gilles wordt een getormenteerde, labiele antiheld die het leven zo’n richting veel te graag wil opleggen om daar in te kunnen slagen. Zijn rebelse, antikapitalistische protestacties worden steeds asocialer en theatraler van aard en zijn op het einde enkel nog een tandenknarsende schreeuw om hulp.

Wat is de invloed geweest van de poprevolutie van de jaren zestig op onze cultuur? Wat kan het in deze tijd nog betekenen een individu te zijn? Hoe verhoudt het individu zich tot het eigen lichaam en hoe tot de gemeenschap? En is het nog mogelijk om over ‘een eigen stem’ te beschikken?

Deze thema’s raken in (Het witte boek) steeds meer met elkaar verweven — om op het einde een bloedrood spoor achter te laten.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen