Essay over de hoofdzonde Lust (nav het Parallax View-filmfestival rond de zeven hoofdzonden: https://parallaxviewsite.wordpress.com/)

img_0036

Zonden zijn een vorm van mateloosheid. Zonden neigen naar het excessieve en om ons daartegen te beschermen hebben we nood aan grenzen: grenzen houden ons in het goede midden. Ze zorgen ervoor dat we maat houden. Maar terzelfdertijd wekken die grenzen de verlokking in ons ze te overschrijden. In zijn boek ‘De zeven hoofdzonden’ beschrijft Fernando Savater een vrouw die tijdens het snoepen graag uitriep: ‘Jammer dat het geen zonde is.’

Wat verboden is, bekoort. Uit het stiekem overtreden van de regels putten we genot. Alles wat taboe is en met mysterie omgeven willen we onderzoeken. Die ene kamer die altijd op slot is en die we voor geen geld ter wereld mogen betreden, vinden we razend interessant — het verhaal van Blauwbaard. En de boeken en films die op een verboden lijst staanwekken meteen onze aandacht.  

Allicht gaat dit voor geen enkele andere zonde zozeer op als voor lust. De tafereeltjes die de bezoeker van erotische websites worden geserveerd bijvoorbeeld zijn altijdclichésituaties uit het dagelijkse leven — de loodgieter die langskomt voor reparatie van de wasmachine en die de vrouw des huizes alleen aantreft, of de tennisleraar en zijn kort gerokte leerlinge. Het gaat telkens om netjes afgebakende contexten: de regels zijn duidelijk en iedereen weet wat wel en wat niet hoort. Het genot die de voorgeschotelde scenes de kijker moeten opleveren schuilt precies in het feit dat men zich niet aan die onuitgesproken regels houdt.

In de film ‘Dangerous liaisons’, gebaseerd op de gelijknamige 18de eeuwse briefroman van Cholderlos de Laclos, poken twee decadente geliefden, de burggraaf de Valmont en de markiezin de Merteuil, hun lusten op door elkaar voortdurend te bestoken met nieuwtjes omtrent hun nieuwe seksuele veroveringen, waarbij ze de grens van het welvoeglijke telkens overtreden. Hoe meer sociale conventies ze met de voeten kunnen treden, hoe beter. Ze genieten ervan anderen in hun netten te strikken, zeker als die anderen oprechte gevoelens koesteren en goede bedoelingen hebben. Lees verder

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Essay over ‘het autotijdperk’

DeWereldMorgen, 26 april 2018

miami-traffic-jam-i-95-north-rush-hour

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

IJdelheid (een filosofisch essay)

John_William_Waterhouse_-_Echo_and_Narcissus_-_Google_Art_Project

John William Waterhouse, Echo and Narcissus

Een ijdeltuit is iemand die zichzelf geweldig graag ziet — dat is althans het beeld dat we doorgaans hebben van de ijdeltuit. Toch schuilt in deze kijk iets problematisch. Want hoe kan iemand zichzelf graag zien? Is daar geen afstand voor nodig? Als ik iemand graag zie, is dat omdat ik die persoon niet zelf ben en ik hem of haar op manieren kan zien waarop hij of zij dat zelf net níet kan. Als de ijdeltuit zichzelf graag ziet, dan wil dat zeggen dat hij zich de afstandelijke blik van de ander heeft toegeëigend.

Als we kijken naar de mythe van Narcissus, dan zien we dat ook daarin afstand een cruciale rol vervult. Narcissus is een adonis die zijn dagen graag al jagend doorbrengt in de bergen van het oude, bosrijke Griekenland. Zijn verschijning laat weinig nimfen onberoerd. Narcissus laat zich hun avances welgevallen, maar als puntje bij paaltje komt, houdt hij toch altijd de boot af. Als hij op een dag ook de verleidingskunsten van een beeldschone maagd afwijst, richt het vernederde meisje zich tot de goden met de vraag Narcissus als straf een gelijkaardige afwijzing te laten ondergaan. Haar smeekbede wordt verhoord en als de mooie jongeling zich op een dag, moe van het jagen, over het water van een kristalheldere, heilige vijver buigt om zijn dorst te lessen, ziet hij in het wateroppervlak een gezicht waarvan de schoonheid hem onmiddellijk betovert. Maar wanneer hij de gestalte probeert aan te raken of omhelzen, verdwijnt de figuur, om pas na enige tijd weer glashelder terug te keren. Vol verlangen naar deze betoverende maar ongrijpbare schoonheid blijft Narcissus boven de vijver hangen. Hij eet en drinkt niet meer en sterft uiteindelijk van zelfverwaarlozing.

De term narcisme verwijst natuurlijk naar dit verhaal. Onder een narcist of ijdeltuit verstaan we, zoals reeds gezegd, iemand die vol is van zichzelf. Maar als we naar de mythe van Narcissus kijken, moet ons iets vreemds opvallen: Narcissus mag dan in de ban van zijn spiegelbeeld zijn, cruciaal is dat hij dat zelf niet weet. Mocht hij geweten hebben dat hij alleen maar naar zichzelf keek, was hij allicht nooit vol bewondering boven het wateroppervlak blijven hangen. Toch wil dit niet zeggen dat de term narcisme niet goed gekozen zou zijn. Integendeel, de mythe van Narcissus leert ons misschien juist waarom ijdelheid zo’n veel voorkomende en bijna alledaagse zonde is. In het hart van onze identiteit, van ons zelfbewustzijn, gaapt een soortgelijke ongrijpbaarheid en zelfvervreemding die Narcissus treft — bij Narcissus wordt ze, door toedoen van de goden, enkel op de spits gedreven. Net die ongrijpbaarheid maakt dat we allemaal een klein beetje lijken op Narcissus en bijvoorbeeld met een mengeling van bevreemding en fascinatie naar pakweg een foto van onszelf kunnen kijken: we herkennen onszelf in het spiegelbeeld, maar we ervaren ons beeld tegelijkertijd als een tikkeltje vreemd — iets waar een zekere willekeur in schuilt. We hadden er ook anders kunnen uitzien. Lees verder

Geplaatst in Essays, Filosofie, Uncategorized | Een reactie plaatsen

Onderweg 1 (brief/dagboekfragment, laatste dag van mijn fietsreis doorheen Engeland en Schotland)

Ik zit in de keuken van een klassiek Georgian herenhuis in wat men de New Town van Edinburgh noemt, een upper-class, residentiële wijk waar de halvemaanvormige tuinen en woonresidenties nog steeds fier de namen dragen van hun voormalige grootlandeigenaars. Eveneens present in de keuken zijn Ewan en Bruce, een schattig, ouder homokoppel, dat druk vanalles aan het bespreken is met de klusjesman. Er zijn werken aan de gang in het huis — ‘in the interest of progress,’ stipt Ewan op zijn gentlemanlike toontje aan — en het is een leuk komen en gaan van allerlei werklui en pakketjesbezorgers, ook al is de ‘plasterer’ die deze ochtend zou arriveren tussen 07.37 (sic!) en 10.37 nog altijd niet komen opdagen, wat het koppel toch een zichtbare stress bezorgt. Nu en dan komt ook ene Timmy (of Tommy) binnengewaaid, een jongensachtige vijftiger die een kamer naast de mijne huurt en die zweert bij korte broeken en strakke polootjes (een vaste klant bij Marks & Spencer, waar ik gisteren zelf even binnensprong voor een nieuwe — lange — broek, een onderneming waarbij ik hopeloos verdwaalde en net op tijd gered werd door een lieve dame, die me kalm doch kordaat naar de uitgang loodste, een kilometerslange tocht, leek het, waarop ik geen enkel spoor van mannelijke presentie mocht gewaarworden en ik me alleen maar omgeven wist door beha’s, rokjes en parfums).
Al een uur lang zijn Ewan en Bruce afscheid van me aan het nemen, want om twaalf uur vertrek ik met mijn fiets in een kartonnen doos onder de arm naar de luchthaven en Ewan en Bruce moeten naar de ‘florist’: Bruce is verantwoordelijk voor het bloemenarrangement op het huwelijk van een van hun vrienden en er moet DRINGEND een duchtig woordje gesproken worden met de bloemleverancier. ‘Want, zie je,’ legt Bruce me uit in zijn ietwat pedante BBC-Engels: ‘Maar al te vaak overleven de bloemarrangementen op zo’n huwelijken niet eens de receptie. De gasten zitten er met hun tengels aan of, erger nog, zetten de bloemen doodleuk ergens anders. Zoiets moeten we koste wat het kost vermijden en daarom is het van het allergrootste belang de gasten te imponeren, nee, wat zeg ik: te intimideren! De bloemarrangementen moeten de hele ruimte inpalmen en domineren, ja, alles moet baden in hun geuren en kleuren. Ze moeten zo oppermachtig aanwezig zijn dat niemand het zelfs maar in zijn hoofd zal halen er aan te ruiken. Begrijp je?’ Lees verder

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Zomaar een dag (ergens begin 2017) – iets tussen een dagboekfragment en een brief

Terwijl ik deze ochtend thee zette, zag ik vanuit het raam op de hoek van de straat een klein meisje op haar fietsje zitten. Ze tuurde aandachtig om zich heen en leek op iemand te wachten. Ze had een kapje op, dus het was moeilijk haar te herkennen. Maar toen er in de straat een tweede meisje verscheen, iets groter en met donker, striemend haar, twijfelde ik niet langer. Ik opende het raam en wuifde naar mijn twee lieve buurmeisjes. Ze fietsten tot onder mijn raam, waar ik hen feliciteerde met hun recent verworven fietsskills — nog maar enkele maanden geleden had ik de jongste voortgeduwd met een stok aan haar zadeltje bevestigd. ‘En zo snel al!’ complimenteerde ik hen. Maar dat was buiten de bijdehandse Zoë gerekend. ‘Nee Greg, wij gaan niet snel. Snel kunnen we al. Dat is gemakkelijk. Nu oefenen we traag. Traag is veel moeilijker.’ Lees verder

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De orde der Ortesianen

img_1732

Ik moest meer gaan zwemmen: iedere keer ik naar het zwembad ga, kom ik fijne mensen tegen. Geen betere plek om bij te praten dan in het water, uitblazend na de inspanning… tot je kou krijgt en weer verder zwemt. In zwembaden hangt altijd een optimistische en opgeruimde sfeer, alsof met het uittrekken van de kleren, mensen ook alle pretenties laten varen… Lichtbehaarde hominiden onder elkaar… Iedereen is vriendelijk en tegemoetkomend, terwijl de redders langs de kant het alles minzaam aanzien. Op de duur ga je de andere vaste bezoekers herkennen en groet je elkaar beleefd bij kruising in het water. Ik heb zelfs een naam bedacht voor deze waterratten: Ortesianen, doopte ik hen.

De Ortesianen vormen een bijzondere diersoort: in het dagelijkse leven vallen ze niet op en het Ortesianisme valt hen in geen geval af te lezen… Pas als je hen wat beter leert kennen, stoot je vroeg of laat op zo’n verregaande mate van zelfrelativering dat je onbewust terugdeinst, alsof je een ijzige wind langs je heen voelt strijken… wat de Ortesianen steeds een heimelijk, bijna onzichtbaar glimlachje ontlokt. Ortesianen hebben nooit kwaad in de zin, maar dat was ook niet de reden dat de schrik je om het hart sloeg. Het was eerder een onpeilbare afgrondelijkheid die zich voor je opent, alsof je door een telescoop temidden van het mysterieuze heelalzwart plots de glanzende, cyclopische presentie van een onbekende planeet ontwaart. Een fonkelend reuzenoog, dat je blijft aanstaren, in welke hoek van je bestaan je je ook terugtrekt… Pas als dat gevoel je overvalt, weet je dat de kans groot is dat je met een Ortesiaan te doen hebt. Daaraan, en enkel daaraan, kan je deze bijzondere creaturen herkennen – je herkent hen in jezelf.

Ortesianen zijn geen kuddedieren, ja, je zou haast gaan vermoeden dat het zelfs geen gemeenschapsdieren zijn, maar dat zijn het wel. Ze zijn zelfs zeer sociaal, maar wel telkens op diezelfde onbetrokken, bijna ascetische wijze die zo typisch voor ze is. Verwar dit echter niet met eenzaamheid, want dat zou pure projectie zijn: eenzaam zijn ze niet, de Ortesianen. En het is dan ook niet uit persoonlijke nood dat ze elkaar bij gunstige temperaturen opzoeken. Ze treffen elkaar, haast bij toeval, omheen waterpoelen, zwembaden, niet al te onstuimige rivieren en als het even kan: zeeën of oceanen. Ja, water is hun element, en telkens ze hun vaak kolossale lichamen onderdompelen en langzaam maar zeker beginnen vooruit te komen, is het alsof ze oplossen en nog slechts een rimpeling vormen in het grillige cohesieveld van het speelse wateroppervlak…

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Onder een open hemel (essay: religie, fundamentalisme, L.P. Boon, consumentisme)

onder-een-open-hemel

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen